Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
16/4144 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit 1: Met het Uwv en de rechtbank wordt geoordeeld dat op medische gronden niet is verklaard waarom appellant wel in staat was tijdig bezwaar te maken tegen de beslissingen van 23 april 2015 en de beslissingen van 18 en 22 mei 2015. Besluit 2 en 3: Er is geen sprake geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [BV] , zodat het Uwv terecht de uitkeringen heeft herzien en teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0047
ABkort 2018/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4144 WIA, 16/4146 WIA, 16/4147 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 mei 2016, 15/5848, 15/6013, 15/6015 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Ras, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Namens appellant heeft mr. W.F. Wienen, advocaat, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wienen. Het Uwv heeft zich, daartoe eveneens opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 19 juli 2012 het Uwv verzocht om met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichtingen van [BV] ( [BV] ) wegens betalingsonmacht over te nemen. Bij besluit van 27 augustus 2012 heeft het Uwv dit verzoek toegewezen en appellant in aanmerking gebracht voor een zogenoemde faillissementsuitkering. Daarbij zijn bedragen aan loon, vakantiegeld, vergoeding ter zake van niet genoten vakantiedagen en onkosten overgenomen van in totaal € 16.384,35.

1.2.

Het Uwv heeft appellant met ingang van 12 juni 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Deze uitkering is met ingang van 9 juni 2014 beëindigd omdat appellant 104 weken ziek is geweest. Aansluitend is appellant in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.

1.3.

Bij een onderzoek naar gefailleerde werkgevers van wie loonheffingsnummers na de faillissementsdatum actief waren gebleven is het Uwv gestuit op [BV] . Omdat appellant uitkering had ontvangen op basis van een dienstbetrekking bij [BV] heeft het Uwv een nader onderzoek ingesteld naar de situatie van appellant. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een door drie themaonderzoekers opgesteld onderzoeksrapport ‘Betalingsonmacht werkgever’ (onderzoeksrapport), dat is afgerond op 17 april 2015. De themaonderzoekers zijn tot de conclusie gekomen dat sterk aannemelijk is dat geen sprake is geweest van verzekeringsplicht van appellant op grond van een dienstbetrekking bij [BV] .

1.4.

Op grond van het onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 23 april 2015 de WGA‑uitkering van appellant ingetrokken met ingang van 10 juni 2014, omdat er geen sprake is geweest van verzekeringsplicht op grond van een dienstbetrekking bij [BV] .

1.5.

Bij een tweede besluit van 23 april 2015 heeft het Uwv over de periode van 10 juni 2014 tot en met 30 april 2015 een bedrag van in totaal € 18.696,47 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WIA‑uitkering van appellant teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 28 april 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant geen recht had op een faillissementsuitkering op grond van de WW, omdat er geen sprake is geweest van verzekeringsplicht op grond van een dienstbetrekking bij [BV] en dat de ten onrechte betaalde bedragen voor terugvordering in aanmerking komen.

1.7.

Bij besluit van 18 mei 2015 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant met ingang van 12 juni 2012 ingetrokken, omdat er geen sprake is geweest van verzekeringsplicht op grond van een dienstbetrekking bij [BV] . Het Uwv heeft tevens over de periode van 12 juni 2012 tot en met 9 juni 2014 een bedrag van in totaal € 55.205,98 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde ZW‑uitkering van appellant teruggevorderd.

1.8.

Bij besluit van 8 oktober 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het in 1.6 genoemde besluit van 28 april 2015 niet-ontvankelijk verklaard.

1.9.

Bij besluit van 3 november 2015 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de in 1.4 en 1.5 genoemde besluiten van 23 april 2015 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat niet gebleken is dat voldaan is aan de criteria voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [BV] .

1.10.

Bij besluit van 5 november 2015 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het in 1.7 genoemde besluit van 18 mei 2015 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt eveneens ten grondslag dat niet gebleken is dat voldaan is aan de criteria voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [BV] .

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellant tegen de drie bestreden besluiten ongegrond verklaard.

Ten aanzien van bestreden besluit 1 (zaaknummer 15/6013)

2.1.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het bezwaarschrift tegen het besluit van 28 april 2015 (faillissementsuitkering) niet tijdig is ingediend. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv niet heeft ontkend dat appellant ten tijde van de bezwaartermijn kampte met ernstige psychische klachten, wat ook blijkt uit een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 oktober 2015. Volgens de rechtbank is echter van belang dat appellant tijdens de bezwaartermijn van het besluit van 28 april 2015 al werd bijgestaan door een gemachtigde en dat deze namens appellant op 6 mei 2015 tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen twee besluiten van 23 april 2015. Dat in die periode namens appellant niet tevens bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 28 april 2015, omdat hij als gevolg van zijn psychische problemen mogelijk niet alle post van het Uwv aan zijn gemachtigde heeft verstrekt, komt voor risico van appellant. De door appellant gegeven reden is naar het oordeel van de rechtbank geen verontschuldiging voor het verzuim.

Ten aanzien van bestreden besluit 2 en 3 (zaaknummers 15/5848 en 15/6015)

2.2.1.

De rechtbank heeft geconcludeerd dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [BV] . De rechtbank heeft daartoe overwogen dat beoordeeld moet worden of het Uwv het niet bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking voldoende aannemelijk heeft gemaakt en zo ja, of appellant vervolgens de onjuistheid van het standpunt van het Uwv aannemelijk heeft gemaakt met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens.

2.2.2.

De rechtbank heeft daartoe van belang geacht dat uit de resultaten van het onderzoek van het Uwv van 17 april 2015 is gebleken dat het telefoonnummer van [BV] bij een ander bedrijf in gebruik was, dat het pand waar [BV] zou zijn gevestigd dicht bleek te zijn en er geen activiteiten werden uitgevoerd. Uit gegevens van de belastingdienst is voorts gebleken dat er geen omzetten werden aangegeven en er geen activiteiten bekend waren. Dit verhoudt zich niet met het gegeven dat er zeven werknemers in dienst zouden zijn. De rechtbank heeft voorts in haar beoordeling betrokken dat er geen salarisspecificaties en geen administratie van [BV] zijn aangetroffen. Ten aanzien van de door appellant ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst is vast komen te staan dat deze is ondertekend door appellant en
[naam 1] , de toenmalige directeur van [BV] . Appellant heeft echter verklaard dat enkel [naam 2] , de opvolger van [naam 1] , aanwezig was ten tijde van de ondertekening in september 2011 en dat hij het contract kreeg van [naam 3] , de boekhouder van [BV] . Appellant heeft geen enkele keer met [naam 1] gesproken. De constructie dat appellant aanvankelijk als voorman wegenbouw in dienst was getreden, maar nadat op de eerste dag al bleek dat hij dat werk fysiek niet aan kon hij diverse klusjes via [BV] voor [naam 3] is gaan verrichten, is volgens de rechtbank op zichzelf beschouwd al moeilijk te geloven.

2.2.3.

Appellant heeft vervolgens volgens de rechtbank zijn standpunt dat hij via [BV] aan [naam 3] was uitgeleend niet aannemelijk gemaakt. Het enkele gegeven dat appellant fulltime door [BV] aan [naam 3] werd uitgeleend, waarna [naam 3] appellant weer aan derden uitleende, is volgens de rechtbank niet erg aannemelijk. Dat geldt eveneens voor de stelling van appellant dat hij voor [naam 3] vervolgens vijf dagen per week door het hele land opdrachten zou hebben uitgevoerd. Appellant heeft verder op geen enkele wijze kunnen verduidelijken waar en bij wie hij precies die opdrachten zou hebben uitgevoerd. Ook heeft appellant niet met feiten gestaafd hoe hij zich in de dagelijkse praktijk feitelijk heeft verantwoord aan [naam 3] of [BV] . Appellant heeft ook geen concrete feiten aangedragen waaruit blijkt dat [naam 3] of [BV] aanwijzingen en instructies aan appellant heeft gegeven. Ook getuige
[naam 4] , die destijds in het huis van [naam 3] een kamer huurde en appellant daar geregeld langs zag komen, heeft ter zitting verklaard niet te weten van wie de opdrachten aan appellant afkomstig waren. Ook is niet gebleken van een administratie bij [naam 3] met opdrachtgevers voor wie appellant dan gewerkt zou hebben. Evenmin is gebleken van enige verantwoording tussen [naam 3] en [BV] . Verder blijkt dat appellant over geen enkele salarisstrook en jaaropgave beschikt om de beweerde contante betalingen van [naam 3] aan hem te onderbouwen. Het feit dat appellant niet over een bankrekening kon beschikken, maakt dat volgens de rechtbank niet anders, aangezien het niet hebben van een bankrekening er niet aan in de weg staat om over (loon)betalingsbewijzen te beschikken. Het had op appellants weg gelegen om te zorgen voor duidelijke betalingsbewijzen. Daarbij komt dat appellant heeft nagelaten het door hem beweerdelijk genoten loon aan te geven bij de belastingdienst. Resumerend heeft appellant door geen enkel inzicht te verstrekken over deze gang van zaken, het standpunt van het Uwv dat van economische activiteiten van [BV] onvoldoende is gebleken en dat geen sprake is geweest van een dienstverband met [BV] , niet kunnen weerleggen.

2.2.4.

Het Uwv heeft volgens de rechtbank dan ook terecht in de bestreden besluiten 2 en 3 vastgesteld dat appellant op 12 juni 2012 niet verplicht verzekerd was ingevolge de ZW en de Wet WIA en de uitkeringen met terugwerkende kracht ingetrokken. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat het Uwv op grond van artikel 33 van de ZW en artikel 77 van de Wet WIA gehouden is tot terugvordering over te gaan, zodat het Uwv alleen wanneer sprake is van dringende redenen kan besluiten om (een gedeelte van) het bedrag niet terug te vorderen. Daarvan is niet gebleken. Een moeilijke financiële situatie levert geen dringende reden op om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, aangezien de toepasselijke regeling met betrekking tot de beslagvrije voet bij invordering een betrokkene voldoende bescherming biedt.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank over de faillissementsuitkering (15/6013) benadrukt dat destijds wel degelijk sprake was van een zo forse psychische problematiek dat hij niet heeft kunnen overzien dat hij een van de beslissingen van het Uwv niet tijdig aan zijn toenmalige gemachtigde heeft verstrekt. Daarbij heeft hij gewezen op informatie van de huisarts, waaruit blijkt dat hij al vanaf december 2012 kampte met psychische klachten in de vorm van overspannenheid/burn‑out problematiek en daarvoor in verschillende periodes onder behandeling was geweest van de aan de praktijk van de huisarts verbonden praktijkondersteuner GGZ. Ter zitting heeft appellant nog toegelicht dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij alle besluiten aan zijn toenmalige gemachtigde heeft gegeven, maar dat hij dat niet meer zeker weet.

3.2.

Appellant heeft in hoger beroep tegen de herziening en terugvordering van de uitkeringen op grond van de ZW en Wet WIA (15/5848 en 15/6015) benadrukt dat er wel sprake is geweest van privaatrechtelijk dienstverband tussen hem en [BV] . Hij heeft wel degelijk in persoon in opdracht van en in een gezagsverhouding tot [BV] werkzaamheden verricht, waarvoor ook loon is ontvangen. Appellant is destijds in aanmerking gebracht voor een

ZW- en WIA‑uitkering, waarmee bij appellant de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat hij in aanmerking kwam voor de betreffende uitkeringen. Het Uwv heeft volgens appellant gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door op basis van geringe informatie over te gaan tot het verlenen van uitkeringen. Volgens appellant brengt dit gegeven met zich dat op het Uwv een nog zwaardere bewijslast rust om te onderbouwen dat appellant niet in dienstbetrekking werkzaam is geweest. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank volledig voorbij is gegaan aan al wat door hem is gesteld over het dienstverband bij [BV] en de oorzaak dat de looninkomsten niet aan de belastingdienst zijn opgegeven.

3.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van 15/6013 (bestreden besluit 1)

4.1.

Voor het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar rechtsoverweging 4 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant niet binnen een termijn van zes weken na bekendmaking van het besluit 28 april 2015 bezwaar heeft gemaakt. Ten aanzien van een na afloop van de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift blijft niet‑ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Appellant heeft te kennen gegeven niet tijdig bezwaar te hebben gemaakt, omdat hij met psychische klachten kampte. Uit de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken van de huisarts blijkt dat appellant in 2012 kampte met klachten van burn‑out en dat destijds ook verslavingsproblematiek speelde. Uit deze stukken blijkt niet dat deze klachten en problematiek tot in 2015 aanwezig zijn gebleven. Uit het journaal van de huisarts komt naar voren dat het in mei en juni 2014 goed ging met appellant. Uit het journaal blijkt vervolgens dat appellant in maart 2015 te kampen had met slapeloosheid en dat hij zich in augustus 2015 tot de huisarts heeft gewend, omdat hij een brief voor het Uwv nodig had vanwege het te laat indienen van bezwaar. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van
1 oktober 2015 komt naar voren dat deze heeft aangenomen dat appellant gedurende de bezwaartermijn van 28 april 2015 tot en met 9 juni 2015 als gevolg van psychische klachten minder adequaat functioneerde. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft evenwel geconstateerd dat appellant is de betrokken periode wel in staat is gebleken om een gemachtigde in te schakelen om tegen andere besluiten bezwaar te maken en heeft geen reden gezien om te concluderen dat hij datzelfde niet ook had kunnen doen waar het ging om het besluit van 28 april 2015. Met het Uwv en de rechtbank wordt geoordeeld dat op medische gronden niet is verklaard waarom appellant wel in staat was tijdig bezwaar te maken tegen de beslissingen van 23 april 2015 en de beslissingen van 18 en 22 mei 2015. Het gaat hier immers om beslissingen die enerzijds dateren van voor 28 april 2015 en anderzijds van na die datum. Niet valt in te zien waarom appellant dan niet ook bezwaar had kunnen (laten) maken tegen het besluit van 28 april 2015. Dit komt ook overeen met dat wat appellant ter zitting naar voren heeft gebracht, namelijk dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij destijds alle besluiten aan zijn toenmalige gemachtigde heeft verstrekt. Voor het geval appellant heeft bedoeld te stellen dat hier sprake is van een verzuim van zijn toenmalige gemachtigde geldt volgens vaste rechtspraak dat een handelen of nalaten van een gemachtigde voor rekening en risico komt van degene die die gemachtigde heeft ingeschakeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX0562).

Ten aanzien van 15/5848 en 15/6015 (bestreden besluit 2 en 3)

4.3.

In deze geschillen ligt de vraag voor of het Uwv appellant terecht niet verzekerd heeft geacht voor de ZW en de Wet WIA, omdat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met CBT. Voor het toepasselijk wettelijk en wordt verwezen naar overweging 8 van de aangevallen uitspraak.

4.4.

De rechtbank heeft overwogen dat het bij besluiten als hier aan de orde gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren, brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen sprake was van een dienstbetrekking. Indien op grond van de aldus vastgestelde feiten aannemelijk is dat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking aanwezig is, ligt het op de weg van appellant om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. Voor het hanteren van een andere maatstaf, zoals door appellant is betoogd, waarbij de lichtvaardigheid op grond waarvan het Uwv tot het verlenen van de uitkeringen is overgegaan een rol zou spelen bij de vraag of het Uwv tot intrekking en terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen mag overgaan, bestaat geen aanleiding. Het weergegeven toetsingskader is immers juist bedoeld voor situaties als de onderhavige waarin het Uwv eerder op basis van onvolledige of onjuiste gegevens, tot het verlenen van een uitkering is overgegaan en daarvan wil terugkomen.

4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoeksrapport voldoende basis biedt voor de conclusie dat appellant niet in dienstbetrekking heeft gestaan tot [BV] . De aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De omstandigheid dat in hoger beroep is gebleken dat [BV] in 2011 wel omzet heeft gegenereerd, doet niet af aan het feit dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat tussen appellant en [BV] geen dienstbetrekking heeft bestaan. Appellant heeft weliswaar bij de aanvraag een document met daarop de titel ‘arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd’ overgelegd, maar gebleken is dat de gang van zaken over de totstandkoming van de ‘arbeidsoverkomst’ veel vraagtekens heeft doen rijzen. Daarbij is met name van belang dat [naam 2] , die bij de ondertekening van de overeenkomst op 5 september 2011 aanwezig zou zijn geweest, pas op 29 december 2011 [BV] heeft overgenomen en ten tijde van de indiensttreding van appellant geen enkele betrokkenheid had bij [BV] . Ook de wijze waarop uitvoering zou zijn gegeven aan de arbeidsovereenkomst roept vragen op. Appellant zou over zijn werkzaamheden alleen contact hebben gehad met [naam 3] , de boekhouder van [BV] . Hij kan niet concreet benoemen waar hij zijn werkzaamheden zou hebben verricht. Hij zou bovendien altijd alleen hebben gewerkt, zodat niemand kan bevestigen dat hij daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht. Hoewel appellant in het hele land opdrachten zou hebben uitgevoerd ten behoeve van derden, zoals het schoonvegen van straten en het vervangen van kapotte (stoep)tegels, zou hij zich nimmer bij een opdrachtgever hebben hoeven melden bij de aanvang van zijn werkzaamheden en zou hij ook nooit hebben hoeven melden dat hij de werkzaamheden had afgerond. Op geen enkele wijze is gebleken dat door [BV] gezag over appellant is uitgeoefend, nu alles volgens appellant verliep via [naam 3] . Van loonbetaling door [BV] is ook niet gebleken. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt slechts twee kwitanties overgelegd, waarop alleen de naam van [naam 3] is vermeld. Gegevens die gewoonlijk op een kwitanties worden vermeld ontbreken. Zo ontbreekt de naam van de gestelde werkgever [BV] en de periode waarop het voorschot betrekking heeft. Nu appellant geen concrete verifieerbare gegevens heeft overgelegd op grond waarvan aannemelijk is dat hij in dienstbetrekking bij [BV] heeft gewerkt, moet worden geconcludeerd dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en [BV] , zodat het Uwv terecht de uitkeringen heeft herzien en teruggevorderd.

4.6.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) M.A.A. Traousis

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

NW