Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1270

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
16/7205 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging grondslag besluit maakt niet dat het college in bezwaar proceskosten had moeten toekennen of dat sprake was van onzorgvuldige besluitvorming. Herhaling gronden in beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7205 PW

Datum uitspraak: 24 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

14 oktober 2016, 16/1203 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P.C.J. Schut hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2018. Namens appellante is verschenen Schut. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. N.M.H.A. van Hirtum.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde van belang samen met haar partner [naam] ( [X] ) bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van een IB signaal dat [X] met ingang van 15 juni 2015 werk had aanvaard, heeft het college B bij brief van 25 september 2015 verzocht om uiterlijk 5 oktober 2015 alle afschriften van zijn bank- en spaarrekeningen vanaf 1 april 2015 (ook van zijn partner en minderjarige kinderen) en loon- en salarisbewijzen vanaf 1 april 2015 (ook van zijn partner en minderjarige kinderen) te verstrekken. Op 5 oktober 2015 zijn geen gegevens overgelegd. Appellante heeft wel telefonisch contact opgenomen met de gemeente. Tijdens dat gesprek heeft appellante verklaard dat zij niet weet waarom [X] aan het werk is gegaan, dat [X] is vertrokken en niet meer bij haar woont. Als [X] werkt, heeft zij daar geen weet van.

1.3.

Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft het college het recht op bijstand van appellante en [X] met ingang van 1 september 2015 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW opgeschort op de grond dat de gevraagde gegevens niet zijn ingeleverd. Het college heeft verzocht de gevraagde gegevens alsmede gegevens over de gewijzigde woonsituatie (datum van vertrek van [X] uit de woning, zijn verblijfadres en afspraken over de relatie en de terugkeer van [X] naar de woning) uiterlijk 30 oktober 2015 in te leveren.

1.4.

Bij besluit van 9 december 2015 heeft het college de bijstand met toepassing van

artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 15 juni 2015 ingetrokken op de grond dat appellante en [X] de gevraagde gegevens niet tijdig hebben ingeleverd.

1.5.

Bij besluit van 1 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 december 2015 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college, onder wijziging van de wettelijke grondslag in artikel 54, derde lid, van de PW, ten grondslag gelegd dat appellante in bezwaar weliswaar salarisstroken heeft overgelegd, maar niet de bankgegevens en de gegevens over de woonsituatie. Hiermee heeft zij de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Voor het vergoeden van de kosten in bezwaar heeft het college geen aanleiding gezien omdat het college het besluit van 9 december 2015 niet heeft herroepen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college niet gehouden was over te gaan tot vergoeding van de kosten in bezwaar. Het college heeft in bezwaar weliswaar de aan het besluit van 9 december 2015 ten grondslag gelegde motivering aangepast, maar het bestreden besluit strekt nog steeds tot intrekking van de bijstand per 15 juni 2015. Van herroeping in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is dus geen sprake. De beroepsgrond dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, slaagt ook niet. Het college heeft appellante bij brief van 25 september 2015 verzocht om bankafschriften en salarisspecificaties te overleggen. Op 15 oktober 2015 heeft het college nogmaals om bankafschriften en salarisspecificaties en gegevens betreffende de woonsituatie gevraagd. Bij het besluit van 9 december 2015 heeft het college nogmaals om bankafschriften en salarisspecificaties en gegevens betreffende de woonsituatie gevraagd. Het had dan ook voor appellante duidelijk kunnen en moeten zijn dat het enkel overleggen van de salarisspecificaties niet voldoende zou zijn. Het college heeft appellante voldoende in de gelegenheid gesteld om de gevraagde gegevens te overleggen. Als er bij appellante nog onduidelijkheid bestond welke gegevens zij diende te overleggen of als zij hiervoor meer tijd nodig had gehad, had het op haar weg gelegen om daarover met het college in contact te treden. Van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit is dus geen sprake. Dat het college in het bestreden besluit aan de intrekking een andere bepaling ten grondslag heeft gelegd, maakt het niet anders. Het college heeft de intrekking steeds gebaseerd op de omstandigheid dat appellante de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het college had moeten overgaan tot het vergoeden van de kosten in bezwaar. Door het wijzigen van de intrekkingsgrond zijn andere rechtsgevolgen in het leven geroepen als gevolg waarvan het besluit van 9 maart 2015 is herroepen. Appellante heeft voorts aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Het college had haar voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit moeten informeren over de wijziging van de grondslag van de besluitvorming. Appellante heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:439.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Daaraan wordt nog toegevoegd dat de verwijzing van appellante naar de in 3 genoemde uitspraak geen doel treft. De situatie in die uitspraak waarbij een andere motivering aan het besluit op bezwaar ten grondslag is gelegd na een wijziging van een omstandigheid, doet zich hier niet voor. De aan het besluit van 9 maart 2015 ten grondslag gelegde motivering dat appellante de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt, is immers bij het bestreden besluit niet gewijzigd.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) F. Dinleyici

JL