Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1261

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
17/463 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:7604, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen bijzondere bijstand voor schuld. Geen dringende redenen als bedoeld in artikel 49. Beroep op artikel 8 EVRM slaagt niet. Toepassen kostendelersnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 463 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 november 2016, 16/4964 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 24 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.R. Kellermann, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2018. Namens appellante is verschenen mr. Kellermann. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C. Vermeer en mr. N.M. Feijtel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 26 augustus 2014 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande met kostendeler, zijnde 50% van de gehuwdennorm.

1.2.

Appellante heeft op 8 december 2015 het dagelijks bestuur verzocht de bijstandsnorm te wijzigen naar 70% van de gehuwdennorm omdat zij feitelijk de kosten niet met T kan delen. Voorts heeft appellante verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van huur vanaf april 2015.

1.3.

Bij besluit van 3 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juni 2016 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de verzoeken van appellante van 8 december 2015 afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden ten aanzien van het oorspronkelijk door het dagelijks bestuur genomen besluit met betrekking tot toepassing van de kostendelersnorm. Voor de huurschuld is op grond van de PW geen bijstand mogelijk en van zeer dringende redenen om van dat uitgangspunt af te wijken is niet gebleken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bijzondere bijstand voor huurkosten

4.1.

Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor de betaling van huurkosten sinds april 2015 terecht opgevat als een aanvraag om bijzondere bijstand voor een schuld. Het betreft hier kosten die door de woningbouwvereniging voor de dag van aanvraag in rekening zijn gebracht en nog niet waren voldaan.

4.2.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige betaling van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante ten tijde van het ontstaan van de huurschuld algemene bijstand ontving ingevolge de PW en op grond daarvan beschikte over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dat betekent dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW aan het verlenen van bijstand voor die schuld in de weg staat.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB3196) kan de grondslag voor het dagelijks bestuur om van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW af te wijken, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet worden ontleend aan artikel 16, eerste lid, van de PW. Die grondslag moet worden ontleend aan artikel 49 van de PW. In artikel 49 van de PW is aangegeven aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW bijzondere bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast te kunnen verlenen. Niet is in geschil dat bijstandsverlening in de vorm van borgtocht aan appellante niet aan de orde is. Derhalve kan uitsluitend op grond van artikel 49, aanhef en onder b, van de PW aan appellante bijzondere bijstand worden verleend indien daartoe zeer dringende redenen bestaan.

4.5.

Zeer dringende redenen doen zich slechts voor indien vaststaat dat sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodzaak is aan de orde als de situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Appellante heeft aangevoerd dat de huurschuld heeft geresulteerd in een uithuiszetting en dat zij aan deze uithuiszetting ernstig psychisch letsel en lichamelijke klachten heeft overgehouden. Dit heeft appellante evenwel niet middels objectieve en verifieerbare bewijzen aannemelijk gemaakt. Het door appellante overgelegde psychologisch assessment dateert van 19 november 2008, dus ruim voor de uithuiszetting in maart 2015, en kan alleen al daarom niets zeggen over de gevolgen van de uithuiszetting voor de psychische gesteldheid van appellante. Ook de omstandigheid dat appellante, zoals zij stelt, geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan van de schuld, wat hier ook van zij, kan er niet toe leiden dat, in afwijking van wat in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW is bepaald, bijstand wordt verstrekt. Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 8 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1179) volgt dat het ontbreken van verwijtbaarheid geen zeer dringende reden vormt.

4.6.

Appellante heeft voorts een beroep gedaan op schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven en gezinsleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen, alsmede het gezinsleven te beschermen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privéleven en bescherming van het gezinsleven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt.

4.7.

De weigering om bijzondere bijstand voor de huurschuld van appellante toe te kennen in de gegeven omstandigheden heeft niet tot het effect dat de normale ontwikkeling van het privéleven van appellante onmogelijk wordt gemaakt. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante met haar bijstand beschikte over voldoende middelen om te voorzien in de kosten van huur. Daar komt bij dat appellante, van wie gesteld noch gebleken is dat zij behoort tot de categorie van kwetsbare personen, na de uithuiszetting bij haar moeder is ingetrokken en zodoende over huisvesting beschikte. Onder die omstandigheden kan niet worden volgehouden dat de weigering tot het verstrekken van bijzondere bijstand geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen betrokken bij de weigering om bijzondere bijstand te verstrekken en de particuliere belangen van appellante. Van een schending van artikel 8 van het EVRM is dan ook geen sprake.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de in hoger beroep met betrekking tot de aanvraag om bijzondere bijstand aangevoerde gronden niet slagen.

Kostendelersnorm

5.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand en is met artikel 22a van de PW de “kostendelersnorm” ingevoerd. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, zoals dat luidde tot 1 januari 2016, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende, behoudens de uitzonderingssituaties zoals genoemd in het derde en vierde lid ((40% + A × 30%) / A) × B. Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid. De tekst van de PW is met ingang van 1 januari 2016 gewijzigd. De kostendelersnorm is nu vervat in artikel 22a, in samenhang met artikel 19a van deze wet.

5.2.

Artikel 22a van de PW (vanaf 1 januari 2016 gewijzigd in artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW) is dwingendrechtelijk van aard en biedt, behoudens de uitzonderingssituaties die zijn opgenomen in het derde en vierde lid van dit artikel, geen ruimte voor afwijking dan wel het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm (vergelijk de uitspraak van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3869). Niet in geschil is dat de genoemde uitzonderingssituaties hier niet van toepassing zijn.

5.3.

Zoals ter zitting met partijen besproken, ligt in hoger beroep alleen nog de vraag voor of het dagelijks bestuur op goede gronden heeft besloten de kostendelersnorm ook vanaf de datum van het verzoek van 8 december 2015, toe te passen. Appellante heeft in dat verband aangevoerd dat T ten onrechte wordt meegeteld voor de kostendelersnorm omdat hij geen inkomen of vermogen heeft en daarom niet kan bijdragen in de kosten van het huishouden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de toepassing van de kostendelersnorm speelt de aard van het inkomen van elk van de kosten delende medebewoners geen rol. Evenmin is relevant de vraag of die medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. In dit verband wordt verwezen naar vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9386) die ook onder de werking van de PW zijn gelding behoudt. Voorts is in de wetsgeschiedenis nadrukkelijk overwogen dat de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt, losstaan van de redenen waarom men de woning deelt (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16). Gelet hierop heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het verzoek sprake was van gewijzigde omstandigheden in die zin dat het dagelijks bestuur T vanaf dat moment niet meer mocht meetellen voor de kostendelersnorm.

5.4.

Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de afwijzing door het dagelijks bestuur van het verzoek van appellante tot verhoging van haar bijstand naar 70% van de gehuwdennorm in rechte stand kan houden.

6. Uit 4.8 en 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, gelet op 4.4 met verbetering van gronden, worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en E.C.R. Schut en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2018.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Tuit

sg