Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
16/7755 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6995, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terechte inhoudelijke afwijzing aanvraag na eerdere buiten behandelingstelling. Onduidelijke woon- en leefsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7755 PW

Datum uitspraak: 24 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 november 2016, 16/8370 en 16/8371 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.W.J.C. van Peer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2018. Namens appellant is verschenen mr. Van Peer. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.L. Burg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 11 februari 2016 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Participatiewet. Op 29 februari 2016 heeft hij de aanvraag ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant het adres van zijn broer, [opgegeven adres] te [woonplaats], als woonadres opgegeven (opgegeven adres).

1.2.

Nadat appellant de bij brief van 3 maart 2016 gevraagde gegevens niet volledig binnen de daarvoor gestelde termijn had ingeleverd, heeft het dagelijks bestuur appellant in de gelegenheid gesteld om in een gesprek op 29 maart 2016, nadien verzet naar 21 april 2016, alsnog de ontbrekende gegevens in te leveren. Bij besluit van 28 april 2016 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat appellant zonder bericht niet op de afspraak van 21 april 2016 is verschenen en niet alle benodigde informatie heeft verstrekt.

1.3.

Naar aanleiding van het tegen het besluit van 28 april 2016 gemaakte bezwaar heeft het dagelijks bestuur de gemachtigde van appellant bij e-mailbericht van 29 juli 2016 meegedeeld dat het dagelijks bestuur de aanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling zal nemen en het recht op bijstand per datum melding alsnog gaat onderzoeken. In het kader van dat onderzoek heeft het dagelijks bestuur appellant bij brief van 29 juli 2016 uitgenodigd voor een gesprek op 3 augustus 2016. Een handhaver heeft samen met een inkomensconsulent de uitnodigingsbrief op 29 juli 2016 omstreeks 12.30 uur persoonlijk bezorgd op het opgegeven adres. Appellant is op 3 augustus 2016 zonder bericht niet verschenen. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur appellant bij brief van 3 augustus 2016 in gelegenheid gesteld zijn verzuim te herstellen in een gesprek op 4 augustus 2016 om 9.00 uur. In de brief staat ook vermeld dat wanneer appellant niet verschijnt, zijn aanvraag om bijstand zal worden afgewezen. De handhaver heeft ook deze uitnodigingsbrief samen met een inkomensconsulent persoonlijk bezorgd op het opgegeven adres. Appellant is op 4 augustus 2016 opnieuw zonder bericht niet verschenen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 augustus 2016.

1.4.

Bij besluit van 16 september 2016 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2016 gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanvraag van appellant alsnog afgewezen. Het dagelijks bestuur heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat appellant tweemaal niet heeft gereageerd op uitnodigingen/oproepingen om te verschijnen. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld dat appellant verblijft op het adres waar hij heeft opgegeven te verblijven en ook ingeschreven staat. Omdat daarover op grond van pintransacties buiten de gemeente en het niet reageren op eerdere oproepen gerede twijfels waren, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort weergegeven, overwogen dat op grond van het rapport van 4 augustus 2016 en de ter zitting overgelegde verklaringen van de in de rapportage genoemde handhaver en inkomensconsulent, voldoende aannemelijk is dat op 29 juli 2016 en op 3 augustus 2016 brieven zijn bezorgd op het adres van appellant met uitnodigingen om op 3 augustus 2016, onderscheidenlijk 4 augustus 2016 te verschijnen. De rechtbank heeft het ter zitting overleggen van die verklaringen niet in strijd met de goede procesorde geacht. Appellant heeft in beroep betwist dat de brieven zijn bezorgd, dus hij kon verwachten dat het dagelijks bestuur daarop zou reageren. Appellant is ter zitting in de gelegenheid gesteld om op de overgelegde verklaringen te reageren en heeft dit ook gedaan. Appellant zou tijdens de voortzetting van de beroepsprocedure gelegenheid hebben gehad om de verklaringen nader te onderzoeken en erop te reageren, maar heeft door in te stemmen met de afdoening van het beroep laten blijken daaraan geen behoefte te hebben.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In een geval waarin het bijstandverlenend orgaan een aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling heeft gesteld en na bezwaar bij de beslissing op bezwaar alsnog inhoudelijk op die aanvraag heeft beslist, vangt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel aan op de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Die periode eindigt op de datum van de beslissing op bezwaar of - zo het bijstandverlenend orgaan de betrokkene met ingang van een eerdere datum bijstand heeft verleend - tot aan die eerdere datum. Het voorgaande betekent dat in dit geval de hier te beoordelen periode loopt van 11 februari 2016 tot en met 16 september 2016.

4.2.

Bij een aanvraag om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager is onder meer verplicht juiste en volledige informatie over zijn woon- en leefsituatie te verschaffen, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien appellant niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

De in hoger beroep herhaalde beroepsgrond dat appellant de brieven van 29 juli 2016 en 3 augustus 2016 niet heeft ontvangen, slaagt niet. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank daarover, en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust (ten aanzien van de goede procesorde vergelijk de uitspraak van 18 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:709).

4.4.

De beroepsgrond dat de in de uitnodigingsbrieven geboden hersteltermijnen van vijf dagen, onderscheidenlijk één dag na ontvangst van de uitnodigingsbrief redelijkerwijs te kort waren om op een afspraak te verschijnen of om uitstel te verzoeken, slaagt evenmin. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak (uitspraak van 12 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1500) heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellant voldoende tijdig is uitgenodigd om op

3 onderscheidenlijk 4 augustus 2016 te verschijnen.

4.5.

Appellant heeft tot slot aangevoerd dat zijn woon- en leefsituatie ten tijde hier van belang niet onduidelijk was. Hij betaalde de huur aan zijn broer contant maar hij had in feite een huurachterstand, de pinbetalingen buiten de gemeente [woonplaats] zeggen niets over zijn hoofdverblijf en de door hem overgelegde verklaring van zijn broer van 26 oktober 2016 over de inwoning van appellant is helder. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op de bankafschriften van appellant waarop onder meer geen huurbetalingen zichtbaar waren, geen betalingen voor levensonderhoud te zien waren en voornamelijk sprake was van pinnen buiten de gemeente [woonplaats], zijn bij het dagelijks bestuur terecht twijfels ontstaan omtrent de woon- en leefsituatie van appellant die door het niet verschijnen op de oproepen zijn versterkt. De enkele, verder niet onderbouwde verklaring van de broer van appellant dat appellant bij hem inwoont en is ingeschreven, neemt deze twijfels niet weg.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) F. Dinleyici

JL