Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1252

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2018
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
17/2947 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen verzoek om herziening uitspraak Raad. Vrijspraak Hof ten aanzien van opzettelijk voordeel trekken uit door misdrijf verkregen goed. Betreft al vóór uitspraak Raad bekende feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2947 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 februari 2014, 12/1036 WWB en 12/1081 WWB

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 24 april 2018

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft bij brief van 29 maart 2017 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:454.

Het college heeft een reactie ingediend.

Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.

Het verzoek is gelijktijdig met de zaak 17/7744 WWB behandeld ter zitting van 13 februari 2018. Namens verzoekster is [naam A] verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. In de zaak 17/7744 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 29 juli 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 januari 2011, heeft het college de bijstand van [naam A] ([A]) met ingang van 15 november 2004 ingetrokken en de over de periode van 15 november 2004 tot en met 31 juli 2010 gemaakte kosten van bijstand van [A] en mede van verzoekster teruggevorderd, op de grond dat [A] met verzoekster een gezamenlijke huishouding voerde en [A] hiervan in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen melding van heeft gemaakt bij het college.

1.2.

Bij uitspraak van 6 januari 2012, 11/605, heeft de rechtbank Utrecht, voor zover hier van belang, het beroep van verzoekster tegen het besluit van 11 januari 2011, ongegrond verklaard.

1.3.

Bij de uitspraak van 18 februari 2014, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Hiertoe heeft de Raad geoordeeld dat [A] en verzoekster een gezamenlijke huishouding voerden, dat [A] hiervan in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt bij het college, en dat verzoekster tegen de medeterugvordering geen zelfstandige beroepsgronden heeft aangevoerd.

2. Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar verzoek naar voren gebracht dat zij bij arrest van 15 februari 2017 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, parketnummer 21-006015-15 (arrest), is vrijgesproken van het haar ten laste gelegde feit dat zij gebruik heeft gemaakt van de bijstand van [A] en heeft het arrest overgelegd. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat dit arrest een feit is als bedoeld in artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3.2.1.

De Raad is van oordeel dat het arrest niet kan worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb. Dit arrest is immers gewezen na de uitspraak van de Raad van 18 februari 2014 waarvan herziening is verzocht.

3.2.2.

Voorts blijkt uit de inhoud van het arrest niet van feiten, daterend van vóór de uitspraak van 18 februari 2014, die achteraf anders blijken te zijn dan de feiten die al bekend waren vóór de uitspraak van 18 februari 2014. Uit de enkele omstandigheid dat het gerechtshof verzoekster heeft vrijgesproken van het opzettelijk voordeel trekken uit door misdrijf verkregen geld, kan niet de conclusie worden getrokken dat de feiten waarop het oordeel van de Raad is gebaseerd over het voeren van een gezamenlijke huishouding en de schending van de inlichtingenverplichting door [A] achteraf gezien anders lagen.

3.3.

Uit 3.2 volgt dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:119, aanhef en onder a, van de Awb, zodat het verzoek moet worden afgewezen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2018.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Smolders

JL