Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
16/5803 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De brief van 30 september 2015 is geen besluit als bedoeld in art. 1:3, Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5803 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 augustus 2016, 16/145 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

Datum uitspraak: 25 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018. Namens appellante is

mr. Grégoire verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.W.C.A. Bruggeman en J.E. Day.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante beschikt over hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

1.2.

Bij brief van 30 september 2015 heeft het college meegedeeld dat appellante niet vóór

1 oktober 2015 zal worden geïnformeerd over het pgb voor huishoudelijke hulp per 2016. Het huidige pgb zal worden voortgezet. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze brief.

1.3.

Bij brief van 14 december 2015 heeft het college appellante meegedeeld dat met de brief van 30 september 2015 geen inbreuk wordt gemaakt op de aanspraken van appellante op hulp bij het huishouden. Bedoeld is mee te delen dat op termijn een herindicatie zal plaatsvinden en dat het onderzoek daarvoor later zal plaatsvinden dan het college aanvankelijk heeft aangekondigd. Voor zover de brief van 30 september 2015 een besluit bevat, is dat besluit hiermee ingetrokken.

1.4.

Bij besluit van 5 januari 2016 (bestreden besluit) heeft het college onder verwijzing naar de brief van 14 december 2015 het bezwaar tegen de brief van 30 september 2015

niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de brief van 30 september 2015 van informatieve aard is en niet op rechtsgevolg is gericht, zodat geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar kon worden gemaakt. Het college heeft het bezwaar terecht

niet-ontvankelijk verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat de brief van 30 september 2015 een besluit behelst dat ten onrechte niet in een lopende procedure over de aanspraken van appellante op hulp bij het huishouden is betrokken. Hierdoor heeft appellante extra proceskosten gemaakt. Appellante verzoekt om vergoeding van deze proceskosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met juistheid op de in rechtsoverweging 2 weergegeven overwegingen geoordeeld dat de brief van 30 september 2015 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht en dat het college het bezwaar tegen de brief terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en maakt het oordeel over de gronden van beroep waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne.

4.2.

Het college heeft overigens onderkend dat de brief van 30 september 2015 ongelukkig is geformuleerd en bij appellante tot verwarring heeft kunnen leiden. Het college heeft daarom met de brief van 14 december 2015 gereageerd op het door appellante tegen de brief van

30 september 2015 ingediende bezwaarschrift. In deze brief heeft het college in heldere bewoordingen nogmaals uiteengezet dat er niets wijzigt in de aanspraken van appellante op huishoudelijke hulp en het pgb en dat er niets verandert in haar situatie. Verder heeft het college een vergoeding van € 490,- toegekend voor de kosten van het indienen van het bezwaarschrift. Het onder deze omstandigheden voort procederen van appellante geeft geen aanleiding om een hogere vergoeding van proceskosten toe te kennen dan het college al heeft gedaan.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) M.A.A. Traousis

UM