Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
15/4591 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:3441, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek en zonder de door appellant gegeven verklaringen niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellant niet woonde op het adres waaronder hij in de brp stond ingeschreven, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Wettelijke rente en proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4591 WSF

Datum uitspraak: 18 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 mei 2015, 14/6178 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Türk, advocaat, hoger beroep ingesteld en om schadevergoeding verzocht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft samen met de zaak 15/2972 WSF plaatsgevonden op

25 mei 2016. Appellant is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

Het onderzoek is heropend. Op verzoek van de Raad heeft de minister nadere informatie verstrekt.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, voor de maand december 2013 en voor het jaar 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellant toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Appellant stond van 15 november 2013 tot 26 maart 2014 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres] (brp-adres).

1.2.

Op 25 februari 2014 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Tijdens dit onderzoek hebben de controleurs de feitelijke woonsituatie van appellant niet kunnen vaststellen. Op 25 maart 2014 hebben twee controleurs in opdracht van de minister nogmaals onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Van de onderzoeken op 25 februari 2014 en 25 maart 2014 is een rapport opgemaakt.

1.3.

Bij besluit van 11 april 2014 heeft de minister de vanaf 1 december 2013 aan appellant toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat hij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 794,34 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Appellant heeft tegen het besluit van 11 april 2014 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij verklaard dat hij ten tijde van het huisbezoek op het brp‑adres woonde, althans dat hij daar tot in ieder geval 23 maart 2014 heeft gewoond.

1.5.

Bij besluit van 18 september 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 april 2014 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit het huisbezoek is gebleken dat appellant niet op het brp-adres woonde.

1.6.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij tot 22 maart 2014 op het brp‑adres heeft gewoond.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de minister met het in 1.2 bedoelde rapport van de huisbezoeken aannemelijk gemaakt dat appellant ten tijde van dat huisbezoek op 25 maart 2014 niet op het brp‑adres woonde.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister niet heeft bewezen dat hij niet op zijn brp‑adres heeft gewoond. Volgens appellant woonde hij in ieder geval ten tijde van het eerste huisbezoek op 25 februari 2014 op het brp‑adres. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij met de in bezwaar en beroep overgelegde verklaringen en poststukken heeft aangetoond dat hij op het brp‑adres heeft gewoond.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De minister heeft de bij het bestreden besluit gehandhaafde herziening gebaseerd op de resultaten van het onderzoek naar de woonsituatie van appellant. Dit onderzoek is verricht door twee controleurs in opdracht van een privaat bedrijf waarvan de daar werkzame personen ingevolge een aanwijzingsbesluit belast zijn met het toezicht bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Bij brief van 27 juli 2016 heeft de minister desgevraagd verklaard dat beide controleurs het onderzoek hebben verricht als zelfstandigen zonder personeel.

4.2.1.

Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, is het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 de uitoefening van een overheidstaak en moet met het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend worden omgegaan.

4.2.2.

In zijn uitspraak van 21 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3566, heeft de Raad overwogen dat met de aanwijzing van werknemers van private bedrijven bij het uitoefenen van dat toezicht de grens van wat nog aanvaardbaar is, is bereikt. Niet kan worden aanvaard dat private bedrijven dat toezicht, al dan niet onder voorwaarden, (gedeeltelijk) uitbesteden aan een derde. Dit oordeel is herhaald en nader gemotiveerd in de uitspraak van de Raad van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4186. Uit deze uitspraken volgt dat bevindingen van onderzoek dat (mede) is verricht door een onbevoegde controleur – zijnde een controleur die niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij een eerder bedoeld privaat bedrijf werkzaam is, maar voor dat bedrijf op andere basis werkzaamheden verricht – als bewijs ontoelaatbaar zijn.

4.3.

Nu het onderzoek in deze zaak is verricht door onbevoegde controleurs zijn de bevindingen van dat onderzoek onrechtmatig verkregen en als bewijs ontoelaatbaar.

4.4.1.

Een studerende die verklaart wel op zijn brp-adres te hebben gewoond, maar die tevens stelt te zijn verhuisd kort voorafgaand aan het onderzoek naar zijn woonsituatie, terwijl die verhuizing niet in de brp is geregistreerd, voldoet op de controledatum niet aan de voorwaarden voor toekenning van studiefinanciering, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Het wettelijk vermoeden brengt in dat geval mee dat indien de studerende erkent dat hij in een (klein) deel van de periode voorafgaand aan het huisbezoek niet op het brp‑adres woonachtig was, de herziening betrekking heeft op de periode die teruggaat tot de laatste overschrijving in de brp.

4.4.2.

Naar het oordeel van de Raad kan in een zaak als hier aan de orde een naar aanleiding van de confrontatie met onrechtmatig verkregen bewijs afgelegde verklaring pas als bewijsmiddel worden gebruikt, indien en nadat de studerende deugdelijk is voorgelicht over welk bewijsmateriaal als onrechtmatig verkregen bewijs wegvalt, over het feit dat de eigen verklaring als bewijsmiddel wordt gebruikt en over de in 4.4.1 beschreven gevolgen van die verklaring. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan staat de verklaring immers voldoende op zichzelf. Is hieraan niet voldaan, dan staat de verklaring in een te direct verband met het onrechtmatig verkregen bewijs en wordt deze daardoor als bewijsmiddel onbruikbaar. De Raad wijst in dit verband ook op zijn uitspraken van 19 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1508, en van 29 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4626.

4.5.

Voor zover al kan worden geoordeeld dat naast de bevindingen van het onderzoek ook de eigen verklaringen van appellant aan het bestreden besluit ten grondslag zijn en konden worden gelegd en deze verklaringen kunnen worden beschouwd als een eenduidige erkenning van de juistheid van het standpunt van de minister, moet worden vastgesteld dat niet is voldaan aan de in 4.4.2 beschreven voorwaarden, zodat de verklaringen niet kunnen worden gebruikt als bewijs.

4.6.

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek en zonder de door appellant gegeven verklaringen niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellant niet woonde op het adres waaronder hij in de brp stond ingeschreven, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

4.7.

De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet verder aanleiding om het besluit van 11 april 2014 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb te herroepen.

4.8.

Het verzoek van appellant om een veroordeling tot het vergoeden van schade in de vorm van wettelijke rente komt voor toewijzing in aanmerking. De minister dient bij de als gevolg van deze uitspraak te verrichten betaling het bedrag van deze rente vast te stellen en uit te betalen. Voor zover de betaling is samengesteld uit maandelijks onbetaald gebleven bedragen ten gevolge van verrekening met de aan appellant toegekende studiefinanciering vanaf april 2014, wordt voor de berekening van de wettelijke rente verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Voor zover appellant een (resterend) deel van het teruggevorderde bedrag heeft terugbetaald is ingevolge artikel 4:102, eerste lid, van de Awb de wettelijke rente over dat bedrag verschuldigd vanaf de dag dat feitelijk onverschuldigd is betaald. Daarbij geldt dat na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De wettelijke rente loopt tot aan de dag van de algehele voldoening van het onverschuldigd terugbetaalde bedrag.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de (proces)kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep. Voor de behandeling in bezwaar en in hoger beroep worden deze zaak en de zaak 15/2972 WSF als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht beschouwd. De minister zal in elk van beide zaken veroordeeld worden tot betaling van de helft van de in bezwaar gemaakte kosten van € 501,- en de helft van de in hoger beroep gemaakte proceskosten van € 501,-. De totale kosten worden begroot op € 1.503,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 september 2014;

  • -

    herroept het besluit van 11 april 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 18 september 2014;

  • -

    veroordeelt de minister tot vergoeding aan appellant van de schade zoals onder overweging 4.8 van deze uitspraak is vermeld;

  • -

    veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.503,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) M.D.F. de Moor

IvR