Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
16/7029 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6753, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Onvoldoende feitelijke grondslag. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7029 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 oktober 2016, 16/1138 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [gemeente 2] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 25 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.G. Huijsmans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Huijsmans. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant stond vanaf 16 september 2011 in – tegenwoordig – de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres] . In de periode 1 september 2013 tot en met 31 januari 2016 volgde hij een opleiding in Rotterdam.

1.2.

Appellant heeft, voor zover hier van belang, over de jaren 2012 tot en met 2015 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend gekregen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.3.

Op 8 september 2015 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.

1.4.

Bij besluit van 3 oktober 2015, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 22 januari 2016 (bestreden besluit), heeft de minister op basis van de bevindingen van het onderzoek de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 januari 2012 herzien, in die zin dat betrokkene vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 8.866,95 van hem teruggevorderd.

1.5.

Bij brief van 18 april 2016 heeft de minister reisgegevens van appellant in het geding gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat de resultaten van het huisbezoek kunnen dienen als grondslag voor de herziening, nu de controleurs moeten worden geacht te vallen onder de reikwijdte van het aanwijzingsbesluit van 10 september 2014 (Stcrt. 2014, 26395). De bevindingen vormen, in combinatie met de reisgegevens van appellant, voldoende bewijs om tot herziening te kunnen overgaan.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de herziening stand kan houden. Appellant heeft in dit kader betoogd dat de controleurs niet bevoegd waren het onderzoek naar de woonsituatie uit te voeren en dat de reisgegevens niet als bewijsmiddel gebruikt mogen worden. Verder is gemotiveerd betwist dat de bevindingen van het onderzoek kunnen leiden tot de conclusie dat appellant niet woonde op zijn brp-adres. Over het door de minister vastgestelde reispatroon heeft appellant verklaard dat hij met de auto naar [gemeente 1] reed en dat hij van daaruit met de trein naar Rotterdam reisde en dat hij regelmatig bij vrienden in [gemeente 1] verbleef. Het gebruik van de auto was volgens appellant logisch omdat hij vanuit zijn huis dan sneller op het station in [gemeente 1] was dan wanneer hij van het openbaar vervoer gebruik zou maken.

3.2.

De minister heeft in hoger beroep opnieuw reisgegevens van appellant overgelegd. Deze beslaan voor het overgrote deel de periode voorafgaand aan de controledatum. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat uit deze gegevens kan worden geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat appellant feitelijk op zijn brp-adres woonachtig was.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 9.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 zijn met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 belast de bij besluit van de minister aangewezen ambtenaren of andere personen. Bij het onder overweging 2 genoemde aanwijzingsbesluit, zijn voor dit toezicht aangewezen – onder meer – personen werkzaam bij [bedrijf] .

4.2.

In zijn uitspraak van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4814, heeft de Raad geoordeeld dat onder deze aanwijzing niet ook personen vallen die als payroller werkzaam zijn voor dat bedrijf. Nu een van beide controleurs het onderzoek wel in die hoedanigheid heeft verricht, kan het van het onderzoek opgemaakte rapport niet worden gebruikt als bewijs.

4.3.

De minister heeft zowel in beroep als in hoger beroep reisgegevens van appellant overgelegd en daarbij betoogd dat ook uit deze gegevens volgt dat appellant ten tijde van het onderzoek niet woonde op zijn brp-adres. De gegevens hebben betrekking op de periode 24 september 2014 tot en met 2 februari 2016. Beginpunt en eindpunt van de reizen zijn daarbij met codes vermeld. Bij de in beroep overgelegde gegevens zijn bij enkele van deze codes telkens de namen van de in- en uitstaphaltes vermeld.

4.4.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:269, is het gebruik van reisgegevens in zaken als de voorliggende, anders dan appellant heeft betoogd, in beginsel toegestaan. Reisgegevens kunnen tot op zekere hoogte iets zeggen over het adres waar een studerende woont, maar als enig bewijs zullen deze gegevens, zoals ook de rechtbank – zij het in andere bewoordingen – terecht heeft geoordeeld, alleen in bijzondere gevallen voldoende zijn om aannemelijk te maken of aan te tonen dat die studerende niet woont op zijn brp-adres. Als aanvullend bewijs zijn de reisgegevens bruikbaar, zij het dat de bewijskracht ook dan (meestal) beperkt zal zijn.

4.5.

Van een bijzonder geval als bedoeld onder 4.4 is, mede gelet op de door appellant ter zitting gegeven verklaring voor zijn reisgedrag, geen sprake. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit de overgelegde gegevens is af te leiden dat van gebruik van ander openbaar vervoer, bijvoorbeeld in de nabijheid van het ouderlijk adres, waar appellant voor zijn overschrijving in de brp woonde, in het geheel niet is gebleken. Dat zet de verklaring van appellant kracht bij. Gelet op de af te leggen afstand tussen [gemeente 2] en [gemeente 1] is het gebruik van de auto onder de door appellant geschetste omstandigheden ook niet op voorhand onaannemelijk.

4.6.

Nu uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellant niet woont op het adres waaronder hij staat ingeschreven in de brp, berust het bestreden besluit van 22 januari 2016 niet op een deugdelijke motivering.

4.7.

Nu de rechtbank het motiveringsgebrek niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het besluit van 3 oktober 2015 te herroepen, nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de kosten die appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 2.505,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    vernietigt het besluit van 22 januari 2016;

  • -

    herroept het besluit van 3 oktober 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 22 januari 2016;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.505,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van M. Gayir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

KS