Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1229

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
16/4807 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb). Appellante heeft geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4807 ZW

Datum uitspraak: 25 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 juni 2016, 16/232 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2018. Appellante is verschenen, vergezeld van haar dochter, [naam dochter] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als logistiek medewerkster voor 29,89 uur per week. Op 4 september 2014 heeft zij zich ziek gemeld met heup- en rugklachten en hoofdpijnklachten. Appellante ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante met ingang van 4 december 2014 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 18 augustus 2015 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 augustus 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd die zij kan verrichten en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante haar zogeheten maatmaninkomen volledig zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van
17 september 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 18 oktober 2015 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van
7 december 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om de medische beoordeling onzorgvuldig te achten. De artsen van het Uwv hebben kenbaar de beschikbare medische informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. Verder bestaat er volgens de rechtbank geen aanleiding appellante verdergaand beperkt te achten dan door het Uwv aangenomen. De door appellante in beroep overgelegde informatie brengt geen wijziging in dat oordeel. Daarvan heeft het Uwv volgens de rechtbank terecht gesteld dat de informatie die ziet op de datum in geding bij de beoordeling is meegewogen. Van de ingrepen die in 2016 hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden, waarbij het gaat om een handoperatie en een operatie wegens endometriose, heeft het Uwv met juistheid gesteld dat deze de beoordeling niet anders maken, omdat die ingrepen geruime tijd na de datum in geding hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante de gronden van beroep gehandhaafd en nadere medische informatie in geding gebracht, waaronder een brief van een chirurg van 20 mei 2016, een operatieverslag van 24 augustus 2016, een brief van een gynaecoloog van 16 februari 2017 en een brief van een uroloog van 21 februari 2017. Verder heeft appellante een brief van GZ‑psycholoog van 16 mei 2017 overgelegd, bij wie zij vanaf februari 2017 onder behandeling is.

3.2.

Het Uwv heeft met verwijzing naar een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid de medische beoordeling door het Uwv onderschreven. De verzekeringsartsen hebben kennis genomen van de diverse klachten van appellante en deze meegewogen bij de vaststelling van de belastbaarheid. Zo heeft de verzekeringsarts de heup-, rug-, hoofd- en buikklachten beschreven en deze consistent en plausibel geacht. Appellante is aangewezen geacht op fysiek lichte werkzaamheden, waarbij zitten, staan en lopen afgewisseld moet worden en niet langdurig achtereen mag plaatsvinden. Verder zijn beperkingen aangenomen voor traplopen, klimmen en tillen. Ook knielen, buigen en hurken is beperkt geacht wat betreft de frequentie. Ook moet zware duw- en trekbelasting vermeden worden. De beschikbare medische informatie van de behandelend sector geeft een bevestiging van de beperkingen van appellante. Wat betreft de informatie die in hoger beroep is overgelegd wordt overwogen dat, zoals appellante ter zitting heeft bevestigd, zij zich in het bijzonder in verband met de gynaecologische problematiek verdergaand beperkt acht. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben kennis genomen van het bestaan van die klachten en van het verloop ervan. Zo is meegewogen dat vanaf december 2014 sprake is geweest van een toename van de gynaecologische problematiek. De rug-, buik- en gynaecologische klachten zijn door de verzekeringsarts onderkend en in hun samenhang bezien. Daarvoor heeft het Uwv beperkingen aangenomen in de FML van 28 augustus 2015. In de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie zijn geen aanknopingspunten te vinden dat de artsen van het Uwv bij het vaststellen van de beperkingen onvoldoende rekening hebben gehouden met die klachten.

4.3.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

5. Wat in 4.2 en 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018.

(getekend) E. Dijt

(getekend) L.H.J. van Haarlem

GdJ