Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1226

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
26-04-2018
Zaaknummer
16/4189 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:3923, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Zorgvuldig medisch onderzoek door het Uwv. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4189 ZW

Datum uitspraak: 25 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
27 mei 2016, 15/4556 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2018. Appellant is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als (archief)medewerker DIV voor 36 uur per week. Zijn dienstverband is op 30 november 2013 geëindigd. Appellant heeft zich op 21 april 2015 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Op 7 mei 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellant per 8 mei 2015 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van (archief)medewerker DIV. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 7 mei 2015 vastgesteld dat appellant per 8 mei 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 16 juli 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juli 2015 ten grondslag.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv zorgvuldig is verricht. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, anamnese en een lichamelijk en psychisch onderzoek. Daarbij zijn de door appellant naar voren gebrachte klachten als gevolg van een slaapapneusyndroom, spanningsklachten, artrose en chronische rugklachten bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte bij zijn beoordeling over de door appellant ingebrachte informatie van de huisarts van
15 juni 2015. Omdat de verzekeringsartsen een eigen verantwoordelijkheid hebben bij de beoordeling van de medische (on)geschiktheid voor de maatgevende arbeid en in beginsel op het eigen oordeel mogen afgaan, hoefden de verzekeringsartsen volgens de rechtbank in dit geval geen aanleiding te zien nadere informatie op te vragen bij de behandelend sector.

2.2.

Wat appellant in beroep heeft aangevoerd en aan medische stukken heeft overgelegd geeft volgens de rechtbank geen reden het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Hieruit kan niet worden afgeleid dat appellant op de datum in geding, 8 mei 2015, meer beperkt was dan waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de overgelegde medische informatie geen aanleiding geeft om appellant op 8 mei 2015 niet geschikt te achten voor zijn werk in de functie van (archief)medewerker DIV.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv en de rechtbank zijn ernstige en chronische medische problemen onvoldoende bij de beoordeling hebben betrokken. Door deze problemen is werken onmogelijk geworden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd wijken in essentie niet af van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.

4.3.

Daar wordt het volgende aan toegevoegd. Appellant heeft geen nieuwe medische stukken overgelegd. Dat hij door zijn ernstige chronische medische problemen niet in staat is zijn arbeid te verrichten, vindt geen bevestiging in de voorhanden zijnde medische informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met name in de rapporten van 5 augustus 2015 en 12 januari 2016 inzichtelijk gemotiveerd dat de door appellant overgelegde medische informatie overeenkomt met de bondige samenvatting van de huisarts van deze informatie in bezwaar, waarmee dan ook al rekening is gehouden bij de beoordeling. Het bevat geen nieuwe tot dusverre onbekende informatie. De inmiddels gediagnosticeerde maar gereguleerde diabetes mellitus type II, brengt geen specifieke beperkingen met zich. Overigens blijkt uit de informatie van de huisarts dat deze diagnose op de datum in geding nog niet was gesteld. Met dit begrijpelijke en inzichtelijke standpunt, heeft het Uwv voldoende onderbouwd dat appellant met ingang van 8 mei 2015 geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid in de functie van (archief)medewerker DIV. Dit betekent dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant per 8 mei 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld.

5. Uit hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2018.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) S.L. Alves

UM