Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1216

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
17/2331 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terugkeer in een functie bij de Belastingdienst. Nu appellant bij het ontslag uit zijn functie bij de Belastingdienst een stimuleringspremie heeft ontvangen en een stimuleringspremie gelet op paragraaf 8.1.3 van de PUB niet kan worden gecombineerd met een terugkeergarantie, kan hij geen geslaagd beroep doen op de in paragraaf 4.4.5 van de PUB neergelegde terugkeergarantie. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/2331 AW, 17/3614 AW

Datum uitspraak: 19 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

15 februari 2017, 16/2648 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. Bökkerink-de Koning, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. Bökkerink-de Koning een zienswijze over het incidenteel

hoger beroep naar voren gebracht en nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bökkerink-de Koning en mede-gemachtigde K. Kruiswijk. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H. Laurs en mr. R.J. Pruim.

De staatssecretaris heeft het incidenteel hoger beroep ter zitting van de Raad ingetrokken.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst in de functie van projectmanager. In 2012 heeft hij voor de periode van 1 oktober 2012 tot en met 30 september 2015 een overheidsfunctie aanvaard op Sint-Maarten. Gelet hierop heeft de staatssecretaris appellant

op diens verzoek bij besluit van 20 augustus 2012 eervol ontslag verleend. Aan dit ontslag was een door partijen overeengekomen stimuleringspremie van € 17.000,- bruto verbonden. Ook is aan appellant over de laatste vijf maanden van 2012 verlof toegekend met behoud van bezoldiging.

1.2.

In de loop van 2015 heeft appellant contact opgenomen met de Belastingdienst en

met een beroep op de terugkeergarantie van paragraaf 4.4.5 van de Personele Uitvoeringsbepalingen Belastingdienst (PUB) verzocht te mogen terugkeren in een functie

bij de Belastingdienst.

1.3.

Bij besluit van 4 maart 2016 heeft de staatssecretaris het verzoek om terugkeer afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 22 september 2016 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 4 maart 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In paragraaf 4.4.5 van de PUB staat: “Medewerkers die ontslag nemen uit hun functie bij de Belastingdienst om in dienst te treden bij de overheid van Curaçao, Aruba en Sint-Maarten of de overheid van Caribisch Nederland (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba) hebben een terugkeergarantie naar de Belastingdienst. Dit betekent dat bij ontslag uit de Arubaanse overheidsdienst dan wel de overheid van Curaçao, Aruba en Sint-Maarten of Caribisch Nederland terugkeer wordt gegarandeerd bij de organisatorische eenheid waar men voorheen geplaatst was op hetzelfde bezoldigingsniveau (oude salarisnummer en periodiekmaand) als bij vertrek. Er bestaat geen recht in dezelfde functie terug te keren.”

4.2.

In paragraaf 8.1.3 van de PUB staat: “Aan medewerkers die op basis van duidelijke afspraken vooraf volledig op eigen kracht een andere werkkring vinden kan een stimuleringspremie worden toegekend. (…) De stimuleringspremie kan niet gecombineerd worden met een terugkeergarantie.”

4.3.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hem een geslaagd beroep op de terugkeergarantie van paragraaf 4.4.5 van de PUB toekomt nu hij in 2012 ontslag heeft genomen uit zijn functie bij de Belastingdienst om in dienst te treden bij de overheid van

Sint-Maarten en dit dienstverband inmiddels is geëindigd. Dit betoog slaagt niet. Nu appellant bij het ontslag uit zijn functie bij de Belastingdienst een stimuleringspremie heeft ontvangen en een stimuleringspremie gelet op paragraaf 8.1.3 van de PUB niet kan worden gecombineerd met een terugkeergarantie, kan hij geen geslaagd beroep doen op de in paragraaf 4.4.5 van de PUB neergelegde terugkeergarantie.

4.4.

Appellant heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de staatssecretaris de op hem rustende informatieplicht heeft geschonden door hem in 2012 ten tijde van zijn verzoek

om ontslag uit zijn functie bij de Belastingdienst niet te vertellen dat toekenning van een stimuleringspremie betekent dat de terugkeergarantie vervalt. Als appellant had geweten dat dit het geval was, had hij de stimuleringspremie niet geaccepteerd dan wel niet verzocht om ontslag. Ook dit betoog slaagt niet. Uit 4.3 volgt dat de staatssecretaris bij de afwijzing van het verzoek van appellant om terug te mogen keren in een functie bij de Belastingdienst

heeft gehandeld in overeenstemming met de in paragraaf 8.1.3 van de PUB neergelegde beleidsregel. Wat appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de staatssecretaris van deze beleidsregel had moeten afwijken. Van appellant mag, gelet op zijn werk- en denkniveau, worden verwacht dat hij zich op de hoogte had gesteld van de regels voor toepassing van de terugkeergarantie. Verder mag van hem worden verwacht dat hij zou hebben gereageerd op het ontslagbesluit van 20 augustus 2012, waarin de afspraken rond zijn ontslag zijn opgenomen en waarin de terugkeergarantie ontbrak.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2018.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) J.M.M. van Dalen

LO