Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1214

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
17/2870 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:1602, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstand herzien in verband met alsnog toepassen kostendelersnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2870 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

2 maart 2017, 16/5892 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 17 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. ir. H.H. Veurtjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2018. Appellante is,

daartoe opgeroepen, verschenen. Zij werd bijgestaan door mr. ir. Veurtjes en vergezeld door

[H.] (H). Het college heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Karreman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 17 december 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellante stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen (BRP), ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Op 30 april 2015 heeft H bijstand aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij heeft H doorgegeven dat hij bij appellante op het uitkeringsadres verblijft. Bij besluit van 15 juli 2015 heeft het college de aanvraag van H afgewezen. Bij besluit op bezwaar van 23 november 2015 heeft het college H alsnog met ingang van 1 mei 2015 bijstand toegekend op grond van de PW naar de norm voor een alleenstaande met toepassing van de kostendelersnorm.

1.3.

Naar aanleiding van de aanvraag van H heeft een medewerker handhaving van de gemeente Rotterdam (medewerker handhaving) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek heeft de medewerker handhaving samen met een inkomensconsulent op 6 januari 2016 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Appellante en H hebben te kennen gegeven hieraan niet te willen meewerken. Voorts hebben zij appellante, nadat appellante aan een eerdere oproep op 8 januari 2016 geen gehoor had gegeven, op

12 januari 2016 gehoord. Twee collega’s hebben H, afzonderlijk van appellante, op dezelfde dag gehoord. Op 7 maart 2016 hebben de medewerker handhaving en de inkomensconsulent met toestemming van appellante een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 maart 2016.

1.4.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van 4 april 2016 (herzieningsbesluit) de bijstand van appellante over de periode van 1 mei 2015 tot en met 11 januari 2016 te herzien, omdat het college over die periode de kostendelersnorm op appellante van toepassing acht. Tevens heeft het college de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.895,09 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van gelijke datum heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 12 januari 2016 omgezet naar bijstand naar de norm voor gehuwden omdat appellante met ingang van die datum een gezamenlijke huishouding voert met H.

1.5.

Bij besluit van 29 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar

tegen het herzieningsbesluit gegrond verklaard, in die zin dat het college de periode

waarover de bijstand wordt teruggevorderd, onder verwijzing naar de zogeheten

zesmaanden-jurisprudentie, heeft beperkt tot de periode van 1 mei 2015 tot en met

31 oktober 2015. Het college heeft het terugvorderingsbedrag als gevolg daarvan verlaagd

tot € 1.580,48.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand en is met artikel 22a van de PW de “kostendelersnorm” ingevoerd. In deze zaak is van toepassing de tekst van deze bepaling zoals die luidde tot 1 januari 2016. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende: ((40% + A × 30%) / A) × B. Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.

4.2.

Ter beoordeling ligt alleen de vraag voor of het college terecht de bijstand over de periode van 1 mei 2015 tot en met 31 oktober 2015 heeft herzien naar de kostendelersnorm

op de grond dat H in die periode met appellante zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.3.

Het besluit tot herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4.

Het gegeven dat H in de hier te beoordelen periode in de BRP stond geregistreerd met de vermelding adres onbekend, staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van hoofdverblijf met appellante in dezelfde woning op het uitkeringsadres. Aannemelijk zal moeten zijn dat het uitkeringsadres ook als hoofdverblijf voor H fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient

te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.5.

Niet meer in geschil is dat H bij het indienen van zijn aanvraag om bijstand op

30 april 2015 met als gewenste ingangsdatum 1 maart 2015 op het aanvraagformulier heeft vermeld dat hij op het uitkeringsadres verblijft en dat hij daar gezamenlijk woont met appellante. Van een gedeeltelijk verblijf elders heeft H daarbij geen melding gemaakt. Appellante heeft zelf op 7 mei 2015 als hoofdbewoner van het uitkeringsadres de verklaring van inwoning ingevuld en ondertekend, dit ter bevestiging van het feit dat H op het uitkeringsadres bij haar inwonend is. Appellante heeft vervolgens op 30 april 2015 in het kader van de aanvraag om bijstand van H verklaard dat zij H op haar adres (tijdelijk) onderdak verleent, terwijl H in het kader van die aanvraag op 28 oktober 2015 nog heeft verklaard dat hij sinds november 2014 onderdak heeft gekregen op het uitkeringsadres en daar zijn slaapplaats heeft. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft het college terecht vastgesteld dat H in de hier te beoordelen periode hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.6.

Appellante heeft ter zitting erkend dat H bij haar inwonend was, maar heeft gesteld dat het een verblijf betrof van drie dagen per week. H had dus geen hoofdverblijf op het uitkeringsadres. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit 4.5 volgt dat H wel zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dat H slechts drie dagen in de week bij haar verbleef volgt niet uit wat H en appellante in de in het kader van de aanvraag van H ingediende stukken hebben vermeld. Dat H desalniettemin hoofdverblijf had op een ander adres dan het uitkeringsadres vindt geen steun in de stukken.

4.7.

Ter zitting heeft appellante nog aangevoerd dat H niet deelt in de kosten. Deze beroepsgrond slaagt evenmin, reeds omdat bij de toepassing van de kostendelersnorm niet relevant is of de medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. In dit verband wordt verwezen naar vaste rechtspraak (uitspraak van

3 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9386) die ook onder de werking van de PW zijn gelding behoudt. Voorts is in de wetsgeschiedenis nadrukkelijk overwogen dat de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt, los staan van de redenen waarom men de woning deelt (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16).

4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat het college terecht over de hier te beoordelen periode de kostendelersnorm van toepassing heeft geacht en derhalve bevoegd was de bijstand te herzien. Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeft.

4.9.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en Y.J. Klik en E.C.R. Schut

als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2018.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) F. Dinleyici

LO