Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1201

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
30-04-2018
Zaaknummer
16/4655 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikken over saldi op en/of rekening van zoon en verzwegen gezamenlijke huishouding. Gezamenlijk hoofdverblijf op grond van verklaring en reisgegevens op OV-kaart. Plus getuigenverklaring. Niet voldoende voor hele periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4655 PW, 16/4656 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juni 2016, 16/1208 en 16/1209 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

Datum uitspraak: 3 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.J.W. Schuijlenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schuijlenburg. Als tolk is verschenen M. Dahiya. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. P.C. van Aller. Op verzoek van appellante zijn ter zitting als getuigen gehoord [naam zoon 1] (zoon 1) en [naam zoon 2] (zoon 2), zoons van appellante.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 juni 1996 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellante was van 2 augustus 1992 tot 18 mei 2010 gehuwd met [naam A] ( [A] ). Vanaf 1 september 2009 ontving zij bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellante staat sinds 25 april 2002 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans basisregistratie personen (BRP), ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellante en [A] hebben samen vier meerderjarige kinderen, onder wie

zoon 1 en zoon 2.

1.2.

Naar aanleiding van een aantal meldingen, waaronder twee anonieme tips, dat appellante zou samenwonen met [A] , heeft de sociale recherche van de gemeente [woonplaats] (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, afschriften van de en/of-bankrekening van appellante en zoon 1 over de periode van

1 april 2015 tot en met 17 augustus 2015 opgevraagd en onderzocht, informatie ingewonnen bij de sportschool waar appellante en [A] staan ingeschreven, reisgegevens opgevraagd van de op naam van [A] geregistreerde OV-chipkaart, op 27 oktober 2015 een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres en appellante verhoord op 30 oktober 2015. Verder heeft de sociale recherche in de periode van 23 april 2015 tot en met 12 oktober 2015 waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en deze woning in de periode van 9 juni 2015 tot en met 20 oktober 2015 - met gebruikmaking van een technisch hulpmiddel - geobserveerd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 november 2015.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van

4 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 januari 2016

(bestreden besluit 1), de bijstand van appellante met ingang van 4 november 2015 te beëindigen op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voert met [A] en dat niet heeft gemeld aan het college, zodat zij niet aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan.

1.4.

De sociale recherche heeft vervolgens een aanvullend onderzoek verricht. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer op 24 november 2015 [A] verhoord en op 6 en

20 november 2015 verklaringen opgenomen van vier (oud) buurtbewoonsters en daarbij foto’ s van [A] getoond. Buurtbewoonsters 1 en 3 hebben verklaard dat zij de man op de aan hen getoonde foto’ s herkennen als hun buurman. Buurtbewoonster 1 heeft voorts verklaard dat zij sinds november 2013 in de straat van het uitkeringsadres woont en dat de man op de getoonde foto’ s toen al op het uitkeringsadres woonde. Buurtbewoonsters 2 en 3 hebben verklaard dat de man op de getoonde foto’ s sinds 2002 of 2003 respectievelijk 2004 op het uitkeringsadres woont. Een oud buurtbewoonster heeft verklaard dat zij van 2002 tot 2013 in de straat van het uitkeringsadres heeft gewoond en dat de man op de getoonde foto’ s in die periode op het uitkeringsadres woonde. De bevindingen van het aanvullend onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 december 2015.

1.5.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van

16 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 januari 2016

(bestreden besluit 2), de bijstand over de periode van 9 oktober 2013 tot en met 3 november 2015 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 27.915,83 van appellante terug te vorderen. Aan bestreden besluit 2 ligt ten grondslag dat appellante in ieder geval sinds 9 oktober 2013 een gezamenlijke huishouding voert met [A] en dat niet heeft gemeld. Aan de grondslag voor intrekking heeft het college toegevoegd dat appellante maandelijks de beschikking had over middelen die de op haar van toepassing zijnde bijstandsnorm ruimschoots overschreden. Het college heeft hierbij gewezen op de omstandigheid dat het salaris van [A] wordt gestort op de bankrekening op naam van zoon 2 en dat daarna een bedrag ter grootte van een maandsalaris van [A] wordt overgemaakt naar de

en/of-rekening op naam van appellante en zoon 1.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. De rechtbank heeft vooropgesteld dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW van toepassing is, waardoor niet relevant is of sprake is van wederzijdse zorg. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de onderzoeksbevindingen neergelegd in de rapporten van 4 november 2015 en

8 december 2015, in onderlinge samenhang bezien, voldoende grondslag voor de conclusie dat appellante en [A] in de periode van 9 oktober 2013 tot en met 3 november 2015 hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres. Volgens de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat [A] in die periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres waardoor het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld. Appellante is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om, ondanks deze schending, alsnog aannemelijk te maken dat zij toch recht heeft op bijstand. Het college was dan ook gehouden de bijstand over de periode van 9 oktober 2013 tot en met 3 november 2015 in te trekken en met ingang van 4 november 2015 te beëindigen en de over die periode ten onrechte verstrekte bijstand van appellante terug te vorderen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft daartoe, samengevat weergegeven, aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen neergelegd in de rapporten van 4 november 2015 en 8 december 2015 onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat zij en [A] van 9 oktober 2013 tot en met 3 november 2015 een gezamenlijke huishouding voerden in haar woning. Appellante stelt zich onder meer op het standpunt dat [A] uitsluitend bij haar op bezoek kwam in verband met de zorg voor

zoon 2, die door zijn ziekte bij haar verbleef. [A] gebruikte de OV-chipkaart om zijn zieke zoon te bezoeken. Uit de observaties, waarop [A] slechts enkele malen is waargenomen, blijkt niet dat [A] zijn hoofdverblijf had in haar woning. Dit blijkt ook niet uit het gegeven dat appellante en [A] een abonnement hebben bij dezelfde sportschool. Tijdens het huisbezoek zijn geen persoonlijke bezittingen van [A] aangetroffen. Dat de (oud) buurtbewoonsters [A] herkennen als hun (oud) buurman betekent niet dat [A] daadwerkelijk op het uitkeringsadres woont. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij geen beschikking had over middelen die de op haar van toepassing zijnde bijstandsnorm overschreden. [A] liet zijn salaris storten op de bankrekening van zoon 2. Zij stond daarbuiten. Er zijn geen grote bedragen naar haar bankrekening overgemaakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 9 oktober 2013 tot en met 4 november 2015.

4.2.

De besluiten tot beëindiging, intrekking en terugvordering van bijstand zijn voor appellante belastende besluiten, waarbij het aan het college is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor beëindiging, intrekking en terugvordering in beginsel op het college rust.

4.3.

Bestreden besluit 2 wordt gedragen door twee, van elkaar onafhankelijke, grondslagen. De Raad zal eerst beoordelen of appellante beschikking had over middelen die de op haar van toepassing zijnde bijstandsnorm overschreden. Indien de Raad tot het oordeel komt dat appellante daarover niet of slechts gedurende een deel van de te beoordelen periode beschikking had, zal de Raad vervolgens beoordelen of appellante in (het resterende gedeelte van) de te beoordelen periode met [A] een gezamenlijke huishouding voerde op het uitkeringsadres.

Middelen

4.4.

Uit de onderzoeksbevindingen blijkt dat de bankrekening eindigend op -681

(en/of-rekening) op naam staat van appellante en zoon 1 en dat de bankrekening eindigend op -986 (bankrekening) op naam staat van [A] . Uit de onderzoeksbevindingen blijkt ook dat het salaris van [A] in de maanden van april 2015 tot en met augustus 2015 is gestort op de bankrekening en dat van de bankrekening in de maanden van april 2015 tot en met juli 2015 bedragen ter grootte van maandsalarissen van [A] zijn gestort op de en/of-rekening. Deze gestorte bedragen gingen de op van appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm ruimschoots te boven.

4.5.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086) moet, mede gelet op artikel 11 van de PW, de term beschikken zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is daarin niet geslaagd. Getuige zoon 1 heeft ter zitting juist verklaard hij samen met appellante de bankrekening heeft geopend, zodat appellante van het geld dat daarop stond gebruik kon maken en dat zij dat ook heeft gedaan.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat appellante, anders dan zij heeft aangevoerd, in de periode van

1 april 2015 tot en met 31 juli 2015 de beschikking had over middelen die als inkomen moeten worden gekwalificeerd en die de op haar van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand ruimschoots te boven gingen en daardoor niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Zij heeft daarvan geen melding gemaakt bij het college. Daarmee heeft zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan is aan appellante ten onrechte bijstand verleend in de periode van 1 april 2015 tot en met 31 juli 2015. Gelet hierop was het college gehouden de bijstand over deze periode in te trekken.

Gezamenlijke huishouding

4.7.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de PW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg voor elkaar te dragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW is een zogeheten onweerlegbaar rechtsvermoeden neergelegd inhoudende dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.8.

Niet meer in geschil is dat dit rechtsvermoeden op de situatie van appellante en [A] van toepassing is. Hierdoor spitst het geschil zich, mede gelet op wat in 4.6 is overwogen, toe op de vraag of [A] in de perioden van 9 oktober 2013 tot en met 31 maart 2015 en van 1 augustus 2015 tot en met 3 november 2015 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Periode van 9 oktober 2013 tot en met 31 maart 2015

4.9.

Het college heeft zijn conclusie dat [A] zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had in de periode van 9 oktober 2013 tot en met 31 maart 2015 gebaseerd op de omstandigheden dat [A] volgens de GBA vanaf 9 oktober 2013 niet langer in Nederland woont terwijl hij nadien in Nederland is blijven werken en hij zich op 28 februari 2014 bij een sportschool in de buurt van het uitkeringsadres heeft ingeschreven. Verder heeft het college zich gebaseerd op de verklaringen van de (oud) buurtbewoonsters.

4.10.

Appellante voert terecht aan dat de inschrijving van [A] bij de sportschool op zichzelf niets zegt over een hoofdverblijf van [A] in haar woning. Hetzelfde geldt voor de uitschrijving van [A] uit de GBA. Appellante en [A] hebben ontkend dat in de periode van 9 oktober 2013 tot en met 31 maart 2015 [A] zijn hoofdverblijf had in de woning van [A] . De verklaringen van de (oud) buurtbewoners over deze periode zijn onvoldoende concreet, specifiek en gedetailleerd, en bevatten onvoldoende redenen van wetenschap om zonder ander bewijs de conclusie te kunnen dragen dat [A] wel zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Die verklaringen bevatten immers enkel de mededeling dat [A] daar woonde.

Periode van 1 augustus 2015 tot en met 3 november 2015

4.11.

Het college heeft zijn conclusie dat [A] zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 3 november 2015 gebaseerd op de verklaringen van appellante en [A] , de reisgegevens van de op naam van [A] geregistreerde OV-chipkaart, het huisbezoek, de waarnemingen en observaties, de uitschrijving van [A] uit de GBA, de inschrijving van [A] bij de sportschool en de verklaringen van de (oud) buurtbewoonsters.

4.12.

[A] heeft op 24 november 2015 verklaard dat hij de laatste drie maanden vrijwel altijd op het uitkeringsadres was. Appellante heeft deze verklaring niet bestreden. De verklaring van [A] vindt steun in het gegeven dat met de op naam van [A] geregistreerde OV-chipkaart in de drie maanden voor 24 november 2015 vrijwel elke dag is in- of uitgecheckt op de dichtstbijzijnde tramhalte vanaf het uitkeringsadres. Ter zitting heeft getuige zoon 2 bevestigd dat dit de

OV-chipkaart was die [A] gebruikte. De verklaring van [A] , in combinatie met de reisgegevens en - in ondersteunende zin - de getuigenverklaringen van buurtbewoners bieden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat [A] in de periode van 24 augustus 2015 tot en met

4 november 2015 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dat het verblijf van [A] op het uitkeringsadres en zijn reisgedrag, naar appellante betoogt, slechts was ingegeven om te kunnen zorgen voor hun zieke zoon 1, leidt niet tot een ander oordeel. Bij de beantwoording van de vraag waar een betrokkene zijn hoofdverblijf heeft, spelen de omstandigheden die hebben geleid tot dat hoofdverblijf en de motieven van de betrokkene immers geen rol.

4.13.

De onderzoekbevindingen bieden echter onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat [A] ook in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 23 augustus 2015 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Tijdens het huisbezoek is slechts de woonsituatie op 27 oktober 2015 beoordeeld. De door appellante op 30 oktober 2015 afgelegde verklaring biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat [A] in deze periode zijn hoofdverblijf had in haar woning. Voor de verklaringen van de (oud) buurtbewoonsters, de uitschrijving uit de GBA en de inschrijving bij de sportschool verwijst de Raad naar wat daarover in 4.10 is overwogen. Verder is [A] in deze periode slechts eenmaal, op

21 augustus 2015, tijdens een observatie gezien toen hij de woning aan het uitkeringsadres betrad. Verder blijkt uit de onderzoeksbevindingen dat [A] in deze periode op negen dagen heeft in- en uitgecheckt bij de dichtstbijzijnde halte vanaf het uitkeringsadres. De enkele waarneming en de reisgegevens zijn onvoldoende voor de conclusie dat [A] in de periode van

1 augustus 2015 tot en met 23 augustus 2015 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante.

4.14.

Uit 4.12 volgt dat appellante, anders dan zij betoogt, in de periode van 24 augustus 2015 tot en met 4 november 2015 met [A] een gezamenlijke huishouding voerde op het uitkeringsadres, zodat appellante ten onrechte als zelfstandig subject van bijstand is beschouwd en ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande heeft ontvangen. Appellante heeft bij het college geen melding gemaakt van de gezamenlijke huishouding. Daarmee heeft zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het vorenstaande brengt mee dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand over de periode van 24 augustus 2015 tot en met 3 november 2015 en beëindiging van de bijstand met ingang van 4 november 2015.

4.15.

De rechtbank heeft niet onderkend dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor intrekking van de bijstand over de perioden van 9 oktober 2013 tot en met 31 maart 2015 en van 1 augustus 2015 tot en met 23 augustus 2015. In zoverre slaagt het hoger beroep. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de perioden van 9 oktober 2013 tot en met 31 maart 2015 en van 1 augustus 2015 tot en met 23 augustus 2015. Het college heeft ter zitting desgevraagd bevestigd geen mogelijkheid te zien tot nader onderzoek, zodat definitief beslist kan worden op grond van de aanwezige informatie. Het intrekkingsbesluit van 16 december 2015 zal dan ook worden herroepen, voor zover dit betrekking heeft op de perioden van 9 oktober 2013 tot en met 31 maart 2015 en van 1 augustus 2015 tot en met 23 augustus 2015.

4.16.

Gelet op wat in 4.6 en 4.12 is overwogen, was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW verplicht de kosten van bijstand over de perioden van 1 april 2015 tot en met 31 juli 2015 en van 24 augustus 2015 tot en met 3 november 2015 terug te vorderen. Gelet op wat in 4.10, 4.13 en 4.15 is overwogen, is de grondslag voor terugvordering over de perioden van 9 oktober 2013 tot en met 31 maart 2015 en van 1 augustus 2015 tot en met 23 augustus 2015 komen te ontvallen. In aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, komt bestreden besluit 2 met betrekking tot de terugvordering geheel voor vernietiging in aanmerking. Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om voor de terugvordering zelf in de zaak te voorzien. Omdat toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding, zal de Raad het college opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4.17.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.004,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

27 januari 2016, dat ziet op de beëindiging, ongegrond is verklaard;

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

27 januari 2016, dat ziet op de intrekking en de terugvordering, ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 januari 2016, dat ziet op de intrekking en de terugvordering, gegrond;

- vernietigt het besluit van 27 januari 2016 voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de perioden van 9 oktober 2013 tot en met 31 maart 2015 en van 1 augustus 2015 tot en met 23 augustus 2015 en de terugvordering;

- herroept het besluit van 16 december 2015 voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de perioden van 9 oktober 2013 tot en met 31 maart 2015 en van

1 augustus 2015 tot en met 23 augustus 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 27 januari 2016;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2015 inzake de terugvordering en bepaalt dat tegen die beslissing slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.004,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.C.R. Schut en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

JL