Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1199

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
17/6564 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging disciplinaire maatregel van een berisping. Plichtsverzuim. Nu niet is gebleken dat het plichtsverzuim niet aan betrokkene kan worden toegerekend, was appellant bevoegd hem daarvoor met toepassing van artikel 11.2 van de CAO UMC een disciplinaire maatregel op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6564 AW, 17/7373 AW

Datum uitspraak: 19 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

24 augustus 2017, 16/1223 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Academisch Ziekenhuis Maastricht (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J.W.C. Creusen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W.J.F. Geertsen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 28 september 2017 een nader besluit genomen.

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op dat besluit gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Creusen en [naam]. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Geertsen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is werkzaam als [functie 1] op de afdeling [afdeling 1] van het Academisch Ziekenhuis Maastricht.

1.2.

Op 2 september 2015 heeft een incident op de [onderdeel A] [A]) van afdeling [nummer afdeling 2] ([afdeling 2]) plaatsgevonden. Het hoofd verpleegeenheid [afdeling 2] enerzijds en betrokkene anderzijds hebben een verslag gemaakt van het incident. Gelet op de ernst van het incident en de discrepantie in beleving ervan door betrokkenen is de procedure disciplinaire straffen conform artikel 11 van de collectieve arbeidsovereenkomst Universitair Medische Centra (CAO UMC) gevolgd. In het kader van deze procedure zijn door een hoorcommissie getuigen gehoord die aanwezig waren bij het incident en heeft op 15 oktober 2015 een verantwoordingsgesprek met betrokkene plaatsgevonden. Op 18 november 2015 heeft de hoorcommissie haar advies uitgebracht.

1.3.

Bij besluit van 18 november 2015, na bezwaar en in afwijking van het advies van de Bezwaarcommissie gehandhaafd bij besluit van 8 maart 2016 (bestreden besluit), heeft appellant betrokkene wegens plichtsverzuim met toepassing van artikel 11.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAO UM, de disciplinaire maatregel van een schriftelijke berisping opgelegd, waarbij is bepaald dat betrokkene bij recidive in de toekomst een zwaardere straf zal worden opgelegd. Appellant heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat het gedrag van betrokkene op 2 september 2015 op de IC van afdeling [nummer afdeling 2] door medewerkers en leidinggevenden als ongewenst en bedreigend is ervaren, wat een potentieel gevaar is voor

de patiëntenzorg. Aldus stemt het handelen en gedrag niet overeen met wat een goed medewerker in gelijke omstandigheden behoort te doen of na te laten en is sprake van plichtsverzuim. Het feit dat al eerder sprake is geweest van soortgelijke problematiek met andere medewerkers van [afdeling 2] en gebleken is dat betrokkene niet bereid is open te staan voor kritiek en klachten, maakt dat appellant het handelen en gedrag van betrokkene aanmerkt als ernstig plichtsverzuim. Betrokkene wist of behoorde te weten dat hij zich aan deze regels, ook in de omgang met collega’s, moet conformeren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven om een nieuw besluit op bezwaar af te geven met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat zij de eerdere incidenten die door appellant mede aan de disciplinaire maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bij de beoordeling van het incident op

2 september 2015 betrekt, gelet op de verklaringen van betrokkene hierover. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit het primaire besluit, noch uit het bestreden besluit en de toelichting van appellant ter zitting kan worden afgeleid welke houding dan wel gedraging van betrokkene hem precies wordt verweten die tot plichtsverzuim heeft geleid. Appellant heeft het plichtsverzuim aldus onvoldoende geconcretiseerd en met deugdelijke bewijzen onderbouwd. Appellant heeft dan ook niet in redelijkheid kunnen overgaan tot het opleggen van een berisping.

3.1.

Bij het nader besluit heeft appellant het bezwaar van betrokkene nogmaals ongegrond verklaard.

3.2.

Betrokkene heeft hierop gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat het nader besluit van 28 september 2017 niet in stand kan blijven.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Appellant heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte van oordeel is dat het betrokkene verweten plichtsverzuim onvoldoende geconcretiseerd is. Dit betoog slaagt. In het advies van de hoorcommissie van 18 november 2015 staat onder het kopje ‘beoordeling plichtsverzuim’ een opsomming van de verweten houding en gedragingen. Dit is (nagenoeg) woordelijk herhaald in het primaire besluit van dezelfde datum. De opsomming luidt:

a. u vindt het niet relevant dat u, met spoed opgeroepen zijnde, de [functie 2] [afdeling 2] ([functie 2]) niet heeft gemeld dat u al voor de deur stond bij de laatste oproep, maar wel heeft bevestigd dat u geïrriteerd was,

b. u ontkent dat er een ongewenste discussie/vertraging ontstond omtrent het positioneren van de patiënt,

c. u ontkent dat door u de couveusedeurtjes onnodig hardhandig werden gesloten,

d. u ontkent dat u het tonen van de foto en raadplegen door de behandelend arts nodeloos onmogelijk heeft gemaakt,

e. u ontkent dat u fysiek bedreigend gedrag heeft vertoond bij het weghalen van de apparatuur, en

f. u ontkent dat uw gedrag, mogelijk ook waargenomen door aanwezige ouders, in enige vorm ongepast is geweest.

Met appellant en anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat hiermee wat betrokkene wordt verweten, het doen of nalaten van iets wat een goed medewerker in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen, voldoende concreet is beschreven. In het bestreden besluit is voor de inhoudelijke motivering van het plichtsverzuim verwezen naar het besluit van 18 november 2015. Betrokkene heeft ook op al de opgesomde punten inhoudelijk verweer gevoerd. De conclusie is dan ook dat het plichtsverzuim voldoende is geconcretiseerd.

5.2.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

5.2.1.

De Raad acht wat is beschreven in 5.1 onder a niet voldoende vaststaand, nu tegenover de weerlegging van betrokkene enkel de verklaring van C staat.

5.2.2.

Bij de beoordeling of het plichtsverzuim beschreven in 5.1 onder b tot en met f wel is komen vast te staan, heeft de Raad ten eerste de schriftelijke verklaring van B, hoofd verpleegeenheid [afdeling 2], gedateerd 2 september 2015, betrokken. Daarin heeft B beschreven wat zij op 2 september 2015 heeft gehoord van de betrokken medewerkers: de verpleegkundige R, de [functie 2] C en de [arts] N. De Raad verwijst verder naar de verklaringen van R, C en N, zoals die zijn afgelegd ten overstaan van de hoorcommissie op

15 oktober 2015.

5.2.3.

Verpleegkundige R heeft, voor zover van belang, verklaard dat betrokkene haar tot drie keer toe onvriendelijk heeft gevraagd een papieren luier onder het kind te leggen omdat het niet goed lag. Toen zij voorstelde een stoffen doek te gebruiken maakte betrokkene aanstalten de couveuse in te gaan, wat zij kon verhinderen door dit toen zelf te doen. Zij was ontdaan door de onvriendelijke verzoeken van betrokkene tot manipulatie van de patiënt. Ze heeft C erbij geroepen om te vragen of de patiënt goed genoeg lag. R heeft verder verklaard dat N en C naar het scherm liepen om de gemaakte foto te bekijken, maar dat betrokkene de foto meteen wegklikte en het apparaat rakelings langs het hoofd van C wegtrok. Toen N zei dat een en ander wel iets vriendelijker mocht, antwoordde betrokkene dat hij dat ook van hun vond, aldus R.

5.2.4.

[functie 2] C heeft, voor zover van belang, verklaard dat er op dat moment sprake was van een patiëntje dat respiratoir erg achteruit ging. Bij het bellen voor een foto werd gezegd: ‘ik kom zo’. Toen er 45 tot 60 minuten later nog geen foto was, heeft zij opnieuw gebeld. Betrokkene heeft geantwoord ‘ik zal kijken’, terwijl later bleek dat hij op dat moment al voor de deur stond. C heeft verder verklaard dat er vervolgens een discussie ontstond tussen de twee betrokken verpleegkundigen en betrokkene over de positie van de patiënt en dat zij erbij werd geroepen om te bevestigen dat de patiënt goed genoeg lag voor de foto. Er ontstond non-verbaal wrevel bij betrokkene, die wilde dat de patiënt in een perfecte positie lag. Toen de verpleegkundige verdere manipulatie weigerde, smeet betrokkene de deurtjes van de couveuse dicht. Toen zij en N naar het scherm liepen om de foto te bekijken, werd het scherm door betrokkene weggeklikt. Vervolgens trok betrokkene het apparaat snel omlaag en kreeg zij het bijna tegen haar hoofd. Dergelijk gedrag is bij betrokkene al vaker voorgekomen. Het is zelfs een keer bijna tot een handgemeen gekomen met een mannelijke verpleegkundige, aldus C.

5.2.5.

[arts] N heeft, voor zover van belang, verklaard dat er sprake was van een ernstig zieke patiënt waarbij het behandelend team ‘met de rug tegen de muur stond’. Een foto was nodig om te beoordelen of een snelle interventie gewenst was. Bij het betreden van de afdeling was er een voelbare spanning tussen de verpleging en betrokkene, die zich geïrriteerd toonde, aanwezig. Betrokkene wilde de ligging van de patiënt verbeteren door er een papieren luier onder te leggen. R wilde niet meer verder aan de patiënt manipuleren en vroeg C of de patiënt goed genoeg lag voor de foto. De patiënt lag niet perfect recht, maar verdere manipulatie was ongewenst. Betrokkene reageerde met zuchten, gebaren, stampvoetend lopen en het dichtgooien van de deurtjes van de couveuse. Elk geluid, licht of prikkel is voor dergelijke patiënten vervelend en kan medische schade veroorzaken. Betrokkene liep vervolgens naar achter, zonder om zich heen te kijken, en drukte meteen op de knop om de foto te maken. Zijn gedrag was anders dan N gewend was en paste bij iemand die het er niet mee eens is. Toen C en N naar het apparaat liepen om op het scherm te kijken of sprake was van grove afwijkingen, dook betrokkene voor het apparaat, zoals in het voetbal niet ongebruikelijk is, en klikte de foto snel weg. Hij trok daarna het apparaat snel en ongecontroleerd weg, waardoor C het bijna tegen het hoofd kreeg. N heeft moeten wachten tot de foto’s op het web te zien waren, wat een vertraging van vijf tot tien minuten betekende. N gaf richting betrokkene aan dat het wel wat vriendelijker mocht, waarop betrokkene beaamde dat het bij de verpleegafdeling ook wat vriendelijker mocht, aldus N.

5.2.6.

Deze verklaringen in onderlinge samenhang bezien geven een voldoende ondersteuning van de aan het plichtsverzuim ten grondslag gelegde gedragingen, zoals beschreven in 5.1 onder b tot en met f. Daar komt bij dat betrokkene heeft erkend dat bij hem sprake was van enige irritatie bij aanvang en dat die vervolgens gedurende de diverse handelingen die hij heeft verricht steeds toenam. Weliswaar heeft betrokkene betwist dat hij de couveusedeurtjes heeft dichtgegooid, maar hij heeft tegelijkertijd verklaard dat het kan zijn dat hij ze heeft dichtgedaan. Nu zowel C als N hebben verklaard dat betrokkene de deurtjes hardhandig heeft dichtgedaan en geen aanleiding bestaat om aan deze verklaringen te twijfelen, heeft de Raad de overtuiging gekregen dat betrokkene deze verweten gedraging heeft begaan. Dat geldt evenzeer voor de discussie over het positioneren van het patiëntje, het onmogelijk maken van het meteen raadplegen van de foto en het voor de betrokken medewerker fysiek gevaarlijk weghalen van het apparaat. Hierover hebben de getuigen eensluidend verklaard. Uit het schriftelijk relaas van betrokkene, dat hij op de hoorzitting van 15 oktober 2015 heeft uitgereikt, blijkt dat hij de gebeurtenissen op zichzelf niet bestrijdt, maar in een andere context plaatst, te weten die van iemand waarvan de expertise ten onrechte in twijfel wordt getrokken, terwijl op de afdeling [nummer afdeling 2] bij verpleging en [werknemers afdeling 2] vriendelijkheid en/of respect telkens ontbreekt. Voor die opvatting bieden de gedingstukken en wat ter zitting van de Raad is besproken evenwel geen aanwijzingen. Tenslotte komt uit de gedingstukken, ook die van betrokkene zelf, het beeld naar voren van iemand die weinig zelfreflectie heeft. Daarom is ook wat in 5.1 onder f is beschreven voldoende onderbouwd.

5.2.7.

Weliswaar kan aan betrokkene worden toegegeven dat de hoorcommissie (meer) aandacht had kunnen besteden aan de eventuele de rol van R, C en N bij de toenemende irritatie ten tijde van het incident, maar dat neemt niet weg dat het op de weg van betrokkene lag, zeker gezien zijn lange en goede staat van dienst, om ‘de kou uit de lucht te halen’. Uit de hiervoor besproken verklaringen blijkt veeleer van het tegendeel, wat in wezen wordt bevestigd door betrokkene waar hij spreekt van een opeenstapeling van irritaties bij hemzelf gedurende het incident, waaraan hij kennelijk niet het hoofd kon bieden.

5.3.

Uit 5.2.2 tot en met 5.2.7 volgt dat appellant de in 5.1 onder b tot en met f opgesomde gedragingen terecht heeft gekwalificeerd als plichtsverzuim. Nu niet is gebleken dat het plichtsverzuim niet aan betrokkene kan worden toegerekend, was appellant bevoegd hem daarvoor met toepassing van artikel 11.2 van de CAO UMC een disciplinaire maatregel op te leggen.

5.4.

De opgelegde disciplinaire maatregel van een berisping, die de lichtste is die in geval van plichtsverzuim op grond van artikel 11.2 van de CAO UMC kan worden opgelegd, is gezien de ernst en de aard van de gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van de zorg binnen het ziekenhuis van appellant niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. De lange staat van dienst van betrokkene en de (medische) gevolgen die hij als gevolg van de maatregel ondervindt, kunnen niet leiden tot een ander oordeel.

5.5.

Uit 5.1 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep van slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en doende wat de rechtbank zou behoren te doen het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5.6.

Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is de grondslag aan het nader besluit van 28 september 2017 komen te ontvallen, zodat de Raad dit besluit zal vernietigen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond;

- vernietigt het nader besluit van 28 september 2017.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H. Lagas en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) L.V. van Donk

ew