Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:119

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2018
Datum publicatie
29-01-2018
Zaaknummer
16/4124 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Op geld waardeerbare activiteiten. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4124 PW

Datum uitspraak: 16 januari 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

10 mei 2016, 15/6609 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

[naam] heeft in haar hoedanigheid van bewindvoerder van appellante hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.W.H. Hulsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Vanaf december 2014 ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) van het Uwv. Sinds 17 december 2012 ontving appellante in aanvulling op haar ZW-uitkering en vervolgens op haar WW-uitkering bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante werkzaamheden verricht, heeft een sociaal rechercheur van de gemeente ’s-Hertogenbosch een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur appellante op 12 mei 2015 gehoord.

1.2.1.

Appellante heeft tijdens dat gehoor onder andere verklaard dat zij in december 2012 een hartinfarct heeft gehad. Op de vraag hoe haar dagindeling eruit ziet, heeft zij geantwoord dat zij drie tot vier dagen per week van 8.30 uur tot ongeveer 15.00/16.00 uur bij kennissen en familie hand- en spandiensten verricht. Zij verstaat daaronder schoonmaken, boodschappen doen en de stoep vegen. De kennissen heeft zij overgehouden aan de periode dat zij in de thuiszorg werkte. Het zijn sociale bezoeken. In ruil voor haar hulp krijgt zij soms boodschappen of een ticket voor een concert. Aan het eind van de week of op zaterdag gaat zij naar [bedrijf] ( [X] ), waar zij wel eens een klusje doet, zoals stofzuigen. Sinds december 2012 heeft zij dit patroon, maar zij heeft niet bijgehouden wanneer zij waar is geweest.

1.2.2.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 18 mei 2015.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

27 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 november 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 27 mei 2015 te beëindigen (lees: in te trekken), de bijstand in te trekken over de periode van 17 december 2012 tot en met 26 mei 2015 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 17.864,17. Aan de besluitvorming heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Appellante heeft op geld waardeerbare activiteiten verricht, waarvan zij geen melding heeft gemaakt. Appellante heeft daarmee de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Zij heeft geen agenda of boekhouding bijgehouden van haar afspraken noch van wat zij precies heeft ontvangen, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. De stelling van appellante dat zij als gevolg van een hartinfarct een aantal maanden niet in staat was werkzaamheden te verrichten, heeft zij niet nader onderbouwd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij slechts activiteiten in het kader van vriendendiensten heeft verricht, dat zij dit heeft besproken en dat zij zich daarbij niet heeft gerealiseerd dat zij haar werkzaamheden, voor zover niet besproken, moest melden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 17 december 2012 tot en met 27 mei 2015 (te beoordelen periode).

4.2.

. Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode activiteiten bij derden, zoals beschreven in 1.2.1, heeft verricht. Anders dan appellante heeft aangevoerd, zijn deze activiteiten niet aan te merken als voor de bijstand niet relevante hand- en spandiensten, maar, gelet op de aard, omvang en duur daarvan, als op geld waardeerbare werkzaamheden. Aan de in hoger beroep overgelegde brief van [X] van 10 juli 2015, waarin hij verklaart dat als appellante bij hen is, zij koffie zet en misschien wel eens iets anders doet, maar dat dit geen hulp in de huishouding betreft, kan niet de betekenis worden gehecht die appellante hieraan toekent. Appellante heeft immers zelf verklaard dat zij meestal aan het eind van de week of op zaterdag bij [X] wel eens een klusje deed, zoals stofzuigen.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.

4.4.

Door van haar activiteiten, zoals omschreven in 1.2.1, geen melding te maken bij het college, heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Het had appellante, anders dan zij aanvoert, redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zij die activiteiten bij het college had moeten melden. Dat aan appellante toestemming is verleend om op vrijdagmiddag vrijwilligerswerk in een zorginstelling te verrichten, ontslaat haar niet van de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting om de door haar verrichte activiteiten bij kennissen of vrienden bij het college te melden. In geval van vragen of onduidelijkheid had het op haar weg gelegen contact op te nemen met het college. Voorts slaagt de beroepsgrond dat appellante over haar activiteiten gesprekken heeft gevoerd met het Uwv niet. Daargelaten dat appellante de melding bij de gemeente moet doen en niet bij het Uwv, heeft zij ter zitting van de Raad verklaard dat de melding bij het Uwv slechts de werkzaamheden van het vrijwilligerswerk bij de zorginstelling betrof zodat blijft staan dat appellante de overige werkzaamheden niet heeft gemeld.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.1.

Appellante is daarin niet geslaagd. Zij heeft geen verifieerbare gegevens, verstrekt over de omvang en duur van haar werkzaamheden, waardoor het recht op bijstand niet, ook niet schattenderwijs, kan worden vastgesteld.

4.5.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij als gevolg van het hartinfarct in december 2012 niet in de gehele te beoordelen periode werkzaamheden kon hebben verricht. Uit een door appellante overgelegde verklaring van een cardioloog van 26 maart 2013 blijkt dat appellante van 26 december 2012 tot 31 december 2012 in het ziekenhuis heeft gelegen wegens een hartinfarct. Op 26 maart 2013 is zij voor controle gezien. Uit een verklaring van een longarts van 27 juni 2013 blijkt dat hij appellante op 4 juni 2013 heeft onderzocht in verband met haar vermoeidheidsklachten. Appellante heeft met deze stukken, noch met de door haar overgelegde stukken van het Uwv, aannemelijk gemaakt dat appellante ook na ontslag uit het ziekenhuis op 31 december 2012 buiten staat was werkzaamheden te verrichten. Bovendien heeft appellante zelf verklaard dat zij het patroon van werkzaamheden als weergegeven

onder 1.2.1 sinds december 2012 had. Voor de stelling van appellante dat zij dit heeft verklaard omdat zij zich overvallen voelde door het gehoor, biedt het gespreksverslag geen aanknopingspunten.

4.5.3.

De omstandigheid dat appellante in de periode van 26 december 2012 tot 31 december 2012 in het ziekenhuis lag, brengt niet mee dat, zoals appellante heeft aangevoerd, het recht op bijstand over december 2012 wel is vast te stellen. Appellante heeft vanaf 17 december 2012 werkzaamheden verricht. De omvang daarvan heeft appellante niet aannemelijk gemaakt, zodat het (aanvullend) recht op bijstand over de maand december 2012 niet kan worden vastgesteld.

4.6.

Appellante heeft tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2018.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD