Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1189

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
17/281 VALYS
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

FMMU Advies B.V. (opvolger van Argonaut Advies B.V.) is bij het nemen van beslissingen op verzoeken om toekenning van een hoog pkb een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.

Hieruit vloeit voort dat de beslissing van FMMU op de aanvraag van appellante om toekenning van een hoog pkb en de beslissing op het verzoek om heroverweging, moeten worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, van de Awb, waartegen respectievelijk bezwaar en beroep openstond.

De in het Indicatieprotocol neergelegde toekenningscriteria gaan de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/901
ABkort 2018/198
AB 2018/230 met annotatie van Redactie, C.W.C.A. Bruggeman
Gst. 2018/105 met annotatie van N. Jak
JIN 2018/172 met annotatie van J.A.F. Peters
JB 2018/95 met annotatie van J.A.F. Peters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 281 VALYS

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 november 2016, 16/1642 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

FMMU Advies B.V. (FMMU)

Datum uitspraak: 21 maart 2018

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens FMMU heeft mr. E.S. Träger een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2018. Appellante is niet verschenen. FMMU heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Träger.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren [in] 1945, is slecht ter been en is bekend met een status na CVA. Zij heeft evenwichtsstoornissen en incontinentieklachten. Op 1 februari 2016 heeft zij een hoog persoonlijk kilometer budget (hoog pkb) aangevraagd (Valys). Daarbij heeft zij een kopie van een Wmo-vervoersvoorziening overgelegd.

1.2.

Bij besluit van 17 februari 2016 heeft FMMU de aanvraag afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 3 maart 2016 (bestreden besluit) heeft FMMU het bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante in staat is om met begeleiding en met hulpmiddelen (rolstoel of scootmobiel) te reizen met de trein.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat FMMU zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met begeleiding en gebruik van hulpmiddelen in staat moet worden geacht om met de trein te reizen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij medische rapporten heeft overgelegd waarvan geen melding is gemaakt in de beoordeling en in de besluitvorming. De lichamelijke conditie van appellante geeft zoveel beperkingen dat zij voor deelname aan het maatschappelijk verkeer altijd is aangewezen op een taxi.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich eerst ambtshalve gesteld voor de vraag of FMMU kan worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2.

Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, van de Awb wordt onder bestuursorgaan verstaan een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld (onderdeel a) of een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed (onderdeel b). FMMU, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, is opgericht door middel van een privaatrechtelijke rechtshandeling zonder enige publiekrechtelijke grondslag, zodat reeds daarom geen sprake is van een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Derhalve ligt de vraag voor of FMMU, voor zover het betreft het nemen van beslissingen op verzoeken om toekenning van een hoog pkb en het nemen van beslissingen op verzoeken om heroverweging van zulke beslissingen, met enig openbaar gezag is bekleed.

4.3.

Uit vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van
31 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8198, vloeit voort dat het bovenregionale vervoer van gehandicapten als een publieke taak moet worden aangemerkt. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft voor de organisatie en uitvoering van de indicatiestelling voor het bovenregionaal vervoer in het najaar van 2014 de “Dienstverleningsovereenkomst tot indicatiestelling van hoog persoonlijk kilometerbudget bovenregionaal vervoer voor mensen met een mobiliteitsbeperking” gesloten met FMMU. Nu de ingevolge deze overeenkomst aan FMMU opgedragen – en door haar aanvaarde – bevoegdheid om te beslissen op een verzoek om toekenning van een hoog pkb wordt uitgeoefend in het kader van de publieke taak van de minister, vervult ook FMMU – in zoverre – een publieke taak. Nu de minister blijkens de overeenkomst in overwegende mate invloed heeft op de wijze waarop FMMU haar publieke taak dient te vervullen en de door FMMU vervulde publieke taak in overwegende mate door de overheid wordt gefinancierd, is de Raad van oordeel dat FMMU bij het nemen van beslissingen op verzoeken om toekenning van een hoog pkb een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van de betrokken gehandicapte uitoefent. FMMU is derhalve met openbaar gezag bekleed en is bij het nemen van beslissingen op verzoeken om toekenning van een hoog pkb een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Hieruit vloeit voort dat de beslissing van FMMU op de aanvraag van appellante om toekenning van een hoog pkb en de beslissing op het verzoek om heroverweging, moeten worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, van de Awb, waartegen respectievelijk bezwaar en beroep openstond.

4.4.

FMMU hanteert voor de beoordeling een Indicatieprotocol waarin onder meer is vermeld: “Een aanvrager komt in aanmerking voor een hoog pkb als:

1. de aanvrager beschikt over een Wmo-vervoersvoorziening, een Wmo-rolstoel, scootmobiel of OV-begeleiderskaart en

2. gebruik moet maken van een rolstoel of scootmobiel waarvan gewicht, en/of maatvoering in combinatie met de aanvrager (de zogenaamde ‘mens-machinecombinatie’) zodanig is dat deze de grenzen van mogelijkheid tot hulpverlening door de NS overschrijden en/of

3. door persoonsgebonden medische beperkingen van chronische aard vanuit strikt medische optiek niet in staat is met de trein te reizen (…)”.

4.5.

FMMU heeft ter zitting uiteengezet dat het Indicatieprotocol wat betreft inhoud en strekking overeenkomt met het voorheen geldende en door Argonaut Advies B.V. tot
1 december 2014 gehanteerde indicatieprotocol en dat niet beoogd is een ander toetsingkader te hanteren. Ook de in dit Indicatieprotocol neergelegde toekenningscriteria gaan de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Vergelijk de uitspraak van de Raad van
13 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8656.

4.6.

De Raad kan zich verder geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. De Raad voegt hieraan toe dat de arts van FMMU de door appellante overgelegde medische informatie, waaronder een brief van
23 juli 2015 van de revalidatieafdeling van het UMCG, een brief van de uroloog van
31 maart 2015 en een huisartsenjournaal van 11 februari 2016, in zijn beoordeling heeft betrokken. Op basis van deze informatie heeft hij geconcludeerd dat met behulp van begeleiding het reizen met de trein tot de mogelijkheden behoort. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat zij vanwege haar lichamelijke conditie enkel met een taxi kan reizen. De gedingstukken bieden ook verder geen aanknopingspunten voor de conclusie dat appellante vanuit strikt medische optiek niet samen met een begeleider met de trein zou kunnen reizen.

4.7.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De uitspraak van de rechtbank wordt daarom bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) I.G.A.H. Toma

KS