Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1187

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
18/908 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:8561, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verzoek om voorlopige voorziening is kort gesloten met het oordeel over de bodemzaak. Afgewezen aanvraag. Er is onvoldoende duidelijkheid over de financiële situatie voor de aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 908 PW, 18/909 PW-VV

Datum uitspraak: 19 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (rechtbank) van 28 december 2017, 17/7551 en 17/7548 (aangevallen uitspraak), en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 7 februari 2018

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Verzoekster is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van Schijndel.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster heeft, nadat zij op 9 juni 2016 haar massagepraktijk had beëindigd en tot

18 september 2016 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet inclusief een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) had ontvangen, vanaf 14 september 2016 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) inclusief een toeslag op grond van de TW van € 530,83 per maand ontvangen.

1.2.

Op 26 april 2017 heeft verzoekster bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd in aanvulling op haar ZW-uitkering en TW-toeslag.

1.3.

Naar aanleiding van de aanvraag hebben medewerkers van het dagelijks bestuur een onderzoek verricht naar de juistheid van de door verzoekster verstrekte gegevens. In dit kader hebben de medewerkers onder meer dossieronderzoek gedaan, internetonderzoek verricht, op 21 juni 2017 een gesprek met verzoekster gevoerd en heeft verzoekster nadere gegevens verstrekt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 1 augustus 2017.

1.4.

Bij besluit van 7 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 november 2017 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat verzoekster de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Verzoekster heeft de herkomst van de stortingen die uit de door haar overgelegde bankafschriften blijken, niet objectief onderbouwd. Verder blijkt uit de bankafschriften dat verzoekster slechts sporadisch uitgaven heeft gedaan voor de kosten van levensonderhoud. Verzoekster heeft de onduidelijkheid over haar financiële situatie in de periode tot de aanvraag niet weggenomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

3. Verzoekster heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op de door verzoekster uiteengezette financiële positie, sprake is van onverwijlde spoed zoals bedoeld onder 4.1. Tevens is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

In geval van een afwijzing van een aanvraag om periodieke bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel van de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dat betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 26 april 2017 tot en met

7 augustus 2017.

4.5.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven over onder meer zijn inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.6.

De beroepsgrond dat verzoekster voldoende informatie heeft verstrekt en dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld, slaagt niet. Uit de door verzoekster overgelegde bankafschriften vanaf januari 2016 blijkt dat er in 2016 kasstortingen op haar twee bankrekeningen hebben plaatsgevonden van in totaal € 6.450,-. Verzoekster heeft verklaard dat zij, naast inkomsten uit de verkoop van puppy’s voor ongeveer € 2.350,- tot € 2.450,-, geld van derden heeft ontvangen voor het doen van boodschappen. Verzoekster heeft ter onderbouwing hiervan verklaringen overgelegd van familie en kennissen. Uit de meeste verklaringen blijkt echter niet hoe, wanneer en hoeveel door verzoekster is ontvangen. Voor zover de overgelegde verklaringen relevant zijn, zijn die niet met concrete en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. Uit de bankafschriften van de tante van verzoekster blijkt weliswaar dat haar tante bedragen heeft opgenomen van haar bankrekening, maar deze bedragen corresponderen voor wat betreft de data en de hoogte van de bedragen niet met de stortingen op de bankrekening van verzoekster, zodat daarmee niet is aangetoond dat de stortingen afkomstig zijn van haar tante. De herkomst van de stortingen is dan ook onduidelijk gebleven. Verder blijkt uit de bankafschriften van januari 2016 tot en met april 2017 dat verzoekster geen dan wel nauwelijks uitgaven heeft gedaan voor levensonderhoud (supermarkt en opnames van contant geld). De verklaring van verzoekster dat zij in de kosten heeft kunnen voorzien door bij derden te eten en van derden boodschappen te ontvangen, heeft zij niet onderbouwd met verifieerbare gegevens. Verzoekster heeft dan ook geen toereikende verklaring gegeven voor haar opvallend lage uitgavenpatroon voor huishoudelijke uitgaven in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Nu verzoekster onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag om bijstand, heeft het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.8.

Gelet op 4.7 bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2018.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) C.A.E. Bon

JL