Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1179

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
16/6871 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het oordeel van de rechtbank over de kanttekeningen die Reukers zelf heeft geplaatst bij de conclusie uit zijn rapport, wordt onderschreven. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de toetsing ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6871 ZW

Datum uitspraak: 18 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Gelderland van

21 juli 2016 , 15/7170 (aangevallen tussenuitspraak) en tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 oktober 2016, 15/7170 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.A. Blaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2018. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Blaas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.M.J. Budel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als grondwerker. Op 10 maart 2014 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Na een eerstejaars ZW-beoordeling is het recht op ziekengeld voortgezet, omdat appellant op dat moment niet ten minste 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar (toetsing) heeft een verzekeringsarts appellant op 2 juni 2015 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 juni 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog meer dan 100% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van

17 juni 2015 vastgesteld dat appellant met ingang van 18 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

12 november 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen de rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep met een aangepaste FML van

7 oktober 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 november 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Bij de aangevallen tussenuitspraak van 21 juli 2016 heeft zij geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht en de medische belastbaarheid van appellant op de datum in geding in de rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De verzekeringsartsen hebben de medische problematiek van appellant niet miskend, maar mede aan de hand van informatie uit de behandelend sector vastgesteld dat appellant een lage intelligentie heeft en dat sprake is van een recidiverende depressie, waarbij het op de datum in geding weer beter gaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd waarom het door appellant in het geding gebrachte rapport van 24 juli 2015 van klinisch psycholoog

I.M. Reukers geen aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen. Zij heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft opgemerkt dat deze onderzoekers zelf al waarschuwen dat de uitkomsten van het onderzoek met enige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd, omdat de geringe motivatie en de depressieve klachten van appellant van invloed kunnen zijn geweest op de resultaten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is dan ook van mening dat de vaststelling dat sprake is van een lage intelligentie voldoende recht doet aan de situatie van appellant en dat het rapport geen aanleiding geeft om uit te gaan van een andere medische situatie. De rechtbank heeft overwogen geen aanleiding te hebben om te twijfelen aan de juistheid van die conclusie, en heeft dan ook geen deskundige benoemd. Bij de tussenuitspraak is geoordeeld dat de belastbaarheid van appellant echter op de aspecten 3.6 (stof, rook, gassen en dampen) en 4.16 (frequent zware lasten hanteren) niet juist is neergelegd in de FML en onvoldoende inzichtelijk is geworden of de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant. Het Uwv heeft na de tussenuitspraak een nieuwe FML van

22 augustus 2016 opgemaakt met daarin beperkingen op de aspecten 3.6, 4.15 (frequent lichte voorwerpen hanteren) en 4.16 (frequent zware lasten hanteren). Verder heeft het Uwv een rapport van 22 augustus 2016 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingezonden. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het Uwv met dit rapport de geschiktheid voor de geselecteerde functies afdoende heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft van belang geacht dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep over de belasting op aspect 3.6 overleg heeft gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat uit het resultaat functiebeoordeling blijkt dat in de functies soldering operator en medewerker tuinbouw sprake is van een relatief geringe belasting op dit punt. De rechtbank heeft verder overwogen geen aanleiding te hebben om te twijfelen aan het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat appellant het voor de functie soldering operator benodigde opleidingsniveau heeft.

3.1.

In hoger beroep tegen de aangevallen tussenuitspraak heeft appellant aangevoerd dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat. Hij heeft in dit verband gesteld dat het Uwv en de rechtbank, die zijn uitgegaan van een lage intelligentie, ten onrechte niet hebben aangenomen dat hij verstandelijk beperkt is. De rechtbank had volgens appellant een deskundige moeten benoemen gelet op het verschil van mening tussen appellant en het Uwv hierover. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant een brief van 7 december 2016 van sociaal psychiatrisch verpleegkundige M. Ostendorf van Reinier van Arkel overgelegd. Daarin is vermeld dat uit intelligentieonderzoek op 28 oktober 2015 is gebleken dat het IQ van appellant met 95% zekerheid tussen de 52 en 63 ligt. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant herhaald dat de functie soldering operator niet geschikt is voor hem omdat hij niet voldoet aan het voor die functie vereiste niveau. Vier jaar basisonderwijs in Marokko kan volgens hem niet gelijk worden gesteld aan een getuigschrift basisonderwijs in Nederland, waarbij hij betwist heeft dat hij enkele jaren vervolgonderwijs in Nederland heeft gevolgd. Appellant heeft herhaald dat de functies soldering operator en medewerker tuinbouw niet geschikt zijn voor hem omdat zijn belastbaarheid op stof, rook, gassen en dampen wordt overschreden. Hij heeft gesteld dat uit de toelichting bij de functie soldering operator niet blijkt van een geringe belasting maar juist dat de functionaris de hele dag met solderen bezig is en dat het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat eigenlijk geen sprake zou zijn van dampen, maar meer van een geur, geen steun vindt in de tekst van de toelichting bij de functie. De functie van medewerker tuinbouw is volgens appellant in verband met zijn astma en hooikoorts niet geschikt voor hem, omdat bij het bestuiven van planten in aanraking wordt gekomen met stuifmeelpollen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971).

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Vastgesteld wordt dat appellant een depressieve stoornis had en dat hij daarvoor met medicatie en gesprekken (met verpleegkundige Ostendorf) is behandeld. De verzekeringsarts heeft op het spreekuur van 2 juni 2015 vastgesteld dat appellant minder beperkt is dan ten tijde van eerdere onderzoeken. Zo is appellant volgens deze verzekeringsarts op het spreekuur van 2 juni 2015 alerter dan op eerdere spreekuren, kan hij zich zaken goed herinneren en geconcentreerd blijven. De verzekeringsarts heeft appellant aangewezen geacht op eenvoudig gestructureerd werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 25 januari 2016 en 28 juni 2016 gemotiveerd uiteengezet dat wordt uitgegaan van een lage intelligentie en dat het psychologisch onderzoek van Reukers geen reden is om van een lichte verstandelijke beperking en verdergaande beperkingen uit te gaan. Hierbij is terecht opgemerkt dat de aangeboren beperkte intelligentie nooit een belemmering is geweest om eenvoudige functies uit te oefenen. Het oordeel van de rechtbank over de kanttekeningen die Reukers zelf heeft geplaatst bij de conclusie uit zijn rapport, en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daar terecht op heeft gewezen, wordt onderschreven. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om een deskundige te benoemen. De brief van 7 december 2016 van Ostendorf biedt geen aanknopingspunt voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hierin wordt na een nieuw intelligentieonderzoek tot dezelfde conclusie als Reukers gekomen, terwijl het onderzoek zelf niet is bijgevoegd. Onduidelijk is gebleven in hoeverre de motivatie van appellant en zijn depressieve gedragingen bij dit onderzoek een rol hebben gespeeld.

4.3.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de toetsing ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De stelling van appellant dat de functie soldering operator in verband met het opleidingsniveau (2) niet geschikt is voor hem, slaagt niet. Daartoe is van belang dat appellant weliswaar heeft betwist dat hij in Nederland vervolgonderwijs zou hebben gevolgd, maar er geen verklaring voor heeft gegeven dat een arbeidsdeskundige (al) in een rapport van 14 november 2003 heeft vastgesteld dat hij ongeveer anderhalf jaar VBO-onderwijs heeft gevolgd. Ook de andere functies worden geschikt geacht voor appellant. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit het rapport van 22 augustus 2016 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep blijkt dat hij overleg heeft gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de geschiktheid van de functies medewerker tuinbouw en productiemedewerker in verband met de astma en hooikoorts van appellant. De conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep na dit overleg is dat bij het werk in de functie medewerker tuinbouw geen sprake is van een zodanig belaste atmosfeer dat appellant dit qua belasting niet aankan. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat geen sprake is van een atmosfeer die belast is met allergenen die de hooikoorts veroorzaken. Ter zitting is namens het Uwv hieraan toegevoegd dat in de functie medewerker tuinbouw niet in aanraking wordt gekomen met graspollen, dat een persoon met een allergie voor graspollen of hooikoorts hier gewoon kan werken en dat dit alleen anders is als gewerkt wordt met cyclamen of primulas wat in deze functie niet aan de orde is. Er is geen reden om aan deze motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en de toelichting daarop ter zitting te twijfelen. Ook over de functie medewerker tuinbouw heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overleg gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep na dit overleg is dat ook in deze functie geen sprake is van een zodanige belaste atmosfeer dat dit belemmerend is voor appellant waarbij onder andere is gewezen op de op de werkplek aanwezige luchtafzuiging. Ter zitting is namens het Uwv toegelicht dat er gewerkt wordt met een soldeerboutje ter grootte van een pen en dat het gaat om zeer minimale hoeveelheden soldeerrook. Gelet hierop is er geen twijfel aan het standpunt, dat in de functie sprake is van slechts een geringe belasting op dampen die ook blijft binnen de belastbaarheid, van appellant.

5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2018.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) L. Boersma

UM