Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1177

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
15/6558 ZW-W
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring wrakingsverzoek. Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat de behandelend rechter op de zittingen in 2016 en 2017 woorden heeft gekozen waarin een subjectieve beleving doorklinkt (“niet van harte”; een “lijvig” rapport). Datzelfde heeft hij gesteld over het woordgebruik in de brief van 29 januari 2018 (een “gefragmenteerd” arbeidsverleden). Na ontvangst van deze brief zag verzoeker, zo heeft hij ter zitting toegelicht, een patroon van subjectieve kwalificaties met daarin waardeoordelen en feitelijke onjuistheden, die zijn vermoeden van vooringenomenheid bevestigden. Daaruit kan volgens verzoeker worden afgeleid dat van een onpartijdige behandeling van het hoger beroep geen sprake (meer) is. Nu het woordgebruik in de brief van 29 januari 2018, in samenhang bezien met het woordgebruik tijdens de zittingen in juni 2016 en december 2017, de aanleiding voor het wrakingsverzoek van 13 maart 2018 is geweest, is dit verzoek niet, zoals vereist in artikel 8:16, eerste lid, van de Awb, ingediend zodra de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding gaven aan verzoeker bekend zijn geworden. Dat verzoeker het verzoek naar eigen zeggen niet eerder heeft ingediend omdat hij daarover eerst met zijn (voormalige) gemachtigde heeft overlegd en hij daarbij weerstand ontmoette, leidt niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6558 ZW-W

Datum uitspraak: 16 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[Verzoeker] (verzoeker)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 augustus 2015, 15/34 ZW. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2016, waarna het onderzoek is heropend teneinde verzoeker te laten onderzoeken door een deskundige.

Na ontvangst van het deskundigenrapport heeft een nadere zitting plaatsgevonden op 18 december 2017.

Het onderzoek is op 29 januari 2018 andermaal heropend, met op die datum een nadere vraagstelling aan de deskundige. Die brief is op 29 januari 2018 in afschrift aan verzoekers gemachtigde gezonden.

Op 13 maart 2018 heeft verzoeker de behandelend rechter E.W. Akkerman gewraakt.

De behandelend rechter heeft schriftelijk meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Verzoeker en de behandelend rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad op 9 april 2018. Verzoeker is verschenen. De behandelend rechter is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

1.2.

Uit artikel 8:16, eerste lid, van de Awb volgt dat het verzoek om wraking moet worden ingediend zodra de feiten of omstandigheden die aanleiding zijn voor het wrakingsverzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.

2.1.

Verzoeker heeft, gelet op wat hij naar voren heeft gebracht, met de indiening van het wrakingsverzoek op 13 maart 2018 onvoldoende voortvarend gehandeld, waardoor niet is voldaan aan het in artikel 8:16, eerste lid, van de Awb neergelegde voorschrift. De Raad wijst in dit verband op zijn vaste rechtspraak (bijvoorbeeld zijn uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3976) en overweegt het volgende.

2.2.

Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat de behandelend rechter op de zittingen in 2016 en 2017 woorden heeft gekozen waarin een subjectieve beleving doorklinkt (“niet van harte”; een “lijvig” rapport). Datzelfde heeft hij gesteld over het woordgebruik in de brief van 29 januari 2018 (een “gefragmenteerd” arbeidsverleden). Na ontvangst van deze brief zag verzoeker, zo heeft hij ter zitting toegelicht, een patroon van subjectieve kwalificaties met daarin waardeoordelen en feitelijke onjuistheden, die zijn vermoeden van vooringenomenheid bevestigden. Daaruit kan volgens verzoeker worden afgeleid dat van een onpartijdige behandeling van het hoger beroep geen sprake (meer) is.

2.3.

Nu het woordgebruik in de brief van 29 januari 2018, in samenhang bezien met het woordgebruik tijdens de zittingen in juni 2016 en december 2017, de aanleiding voor het wrakingsverzoek van 13 maart 2018 is geweest, is dit verzoek niet, zoals vereist in artikel 8:16, eerste lid, van de Awb, ingediend zodra de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding gaven aan verzoeker bekend zijn geworden. Dat verzoeker het verzoek naar eigen zeggen niet eerder heeft ingediend omdat hij daarover eerst met zijn (voormalige) gemachtigde heeft overlegd en hij daarbij weerstand ontmoette, leidt niet tot een ander oordeel.

3. Uit 2.1 tot en met 2.3 volgt dat het verzoek om wraking niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om wraking niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2018.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) F. Dinleyici

IJ