Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
17/1834 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Niet aangetekende verzending en geen verzendadministratie. Niet relevant is dat de besluiten als bijlagen bij het verweerschrift in andere procedures zijn gevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/193
USZ 2018/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1834 PW

Datum uitspraak: 10 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

16 februari 2017, 16/2278 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Klootwijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een nader stuk ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 17/5043 PW, plaatsgevonden op

27 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.F.M. Gulickx, kantoorgenoot van mr. Kootwijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.B.L. Krahmer. In de zaak 17/5043 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 1 januari 1997 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Bij besluit van 31 maart 2015 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellante bij wijze van maatregel verlaagd met 100% voor de duur van een maand met ingang van

1 april 2015.

1.3.

Bij besluit van 23 april 2015 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellante bij wijze van maatregel verlaagd met 100% voor de duur van twee maanden met ingang van

1 mei 2015.

1.4.

Bij brief van 28 oktober 2015, aangevuld bij brief van 17 november 2015, is namens appellante bezwaar gemaakt tegen besluiten 1 en 2.

1.5.

Bij besluit van 14 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een niet verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van het Awb vangt deze termijn aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

4.2.

Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Zie de uitspraak van 26 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:325.

4.3.

Vaststaat dat besluiten 1 en 2 niet aangetekend zijn verzonden. Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat het college niet beschikt over een deugdelijke verzendadministratie. Dit betekent dat het college de verzending van besluiten 1 en 2 niet overeenkomstig de in

4.2

genoemde vereisten aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij is, anders dan het college heeft betoogd, niet van belang of appellante, vanwege het achterwege blijven van de uitbetaling van de bijstand in de maanden april en mei 2015 in samenhang met appellantes eerdere ervaringen met opgelegde maatregelen en daaruit ontstane juridische procedures met het college, had moeten weten dat het college een besluit genomen had. Evenmin is relevant de omstandigheid dat het college in een andere juridische procedure besluiten 1 en 2 als bijlage bij een verweerschrift heeft gevoegd en dat appellante op die wijze in september 2015 van die besluiten kennis heeft kunnen nemen. Deze handelwijze voldoet niet aan het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat de termijn voor het instellen van bezwaar pas is aangevangen op

28 oktober 2015, te weten de dag na die waarop het college besluiten 1 en 2 aan de toenmalige gemachtigde van appellante, mr. R.C. van der Weele, heeft toegezonden. Dit

leidt tot de conclusie dat het namens appellante op 28 oktober 2015 ingestelde bezwaar, aangevuld bij brief van 17 november 2015, tegen besluiten 1 en 2 tijdig is. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Het hoger beroep slaagt. Daarom zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 6:11 van de Awb.

4.5.

De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien, omdat het college geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over het bezwaar. De Raad zal daarom het college opdracht geven om opnieuw op het bezwaar van appellante tegen besluiten 1 en 2 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

4.6.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door appellante te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.004,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 juni 2016;

  • -

    draagt het college op binnen acht weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak

een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 2.004,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2018.

(getekend) M. Hillen

(getekend) F. Dinleyici

sg