Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
16-6783 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling stelling van de aanvraag in verband met het niet overleggen van gegevens met betrekking tot in- en verkoop van voertuigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6783 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

22 september 2016, 15/2774 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

Datum uitspraak: 10 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Franken, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en, desgevraagd, aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2018. Namens appellant is verschenen mr. S.V.A.Y. Dassen-Franken. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.F.H. Weerts.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 2 februari 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek is via Suwinet, na raadpleging van

de gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW), gebleken dat in de periode van

2 november 2011 tot en met 12 juni 2013 twaalf auto’s op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan. Het college heeft appellant verzocht alle vrijwarings- en aan- en verkoopbewijzen van de auto’s over te leggen, inclusief de namen en adressen van de (ver)kopers. Appellant heeft niet alle gevraagde gegevens overgelegd. Bij besluit van 21 oktober 2013 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 2 februari 2012 ingetrokken.

1.2.

Ook na 12 juni 2013 hebben auto’s op naam van appellant geregistreerd gestaan, blijkens informatie van de RDW met peildatum 16 december 2014 tot en met 11 juni 2014.

1.3.

Appellant heeft zich op 24 november 2014 gemeld voor het indienen van een nieuwe aanvraag om bijstand. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college hem uitgenodigd voor een gesprek op 17 december 2014 en verzocht om diverse bewijsstukken, waaronder bewijzen van inkomsten. Appellant is niet op het gesprek verschenen en uitgenodigd voor een gesprek op 9 januari 2015. Tijdens dat gesprek heeft hij een deel van de gevraagde gegevens overgelegd. Aansluitend hebben twee handhavingsmedewerkers van de gemeente Heerlen een huisbezoek op het adres van appellant afgelegd en daar nader met hem gesproken. Aan appellant is een hersteltermijn verleend tot 23 januari 2015, die nog is verlengd tot

24 februari 2015. Bij de verlenging heeft het college gespecificeerd welke gegevens nog missen, waaronder de namen en adressen van de ver(kopers) van de auto’s, de vrijwaringsbewijzen en de aan- en verkoopprijzen. Appellant heeft op 20 februari 2015 een deel van de gegevens overgelegd. Op 23 februari 2015 heeft appellant schriftelijk medegedeeld verder geen vrijwaringsbewijzen of andere gegevens over de auto’s in zijn bezit te hebben.

1.4.

Bij besluit van 12 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 juli 2015 (bestreden besluit), heeft het college - voor zover van belang - met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag van 24 november 2014 buiten behandeling gesteld, omdat appellant de gevraagde gegevens niet of niet volledig binnen de gegeven hersteltermijn heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is alleen nog in geding de buiten behandeling stelling van de aanvraag om bijstand van appellant van 24 november 2014.

4.2.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.3.

Voor zover appellant betoogt dat geen gegevens ontbreken om de aanvraag te kunnen behandelen, treft dit geen doel. Appellant heeft de onder 1.2 vermelde gegevens niet volledig binnen de gegeven hersteltermijn aan het college overgelegd. Immers, op de laatste dag van de hersteltermijn heeft appellant schriftelijk medegedeeld dat hij voor wat betreft de eerder op zijn naam staande auto’s geen vrijwaringsbewijzen of andere gegevens in zijn bezit heeft.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat de gevraagde gegevens niet nodig zijn voor de inhoudelijke beoordeling van zijn aanvraag om bijstand. Het college heeft ten onrechte over een periode van meer dan drie maanden voor de aanvraag om gegevens gevraagd. Hij kan redelijkerwijs niet over deze gegevens beschikken, omdat hij deze niet (meer) in bezit heeft. Het college had de gegevens zelf kunnen verzamelen door raadpleging van de gegevens van de RDW via Suwinet. Verder is volgens appellant ten onrechte geen rekening gehouden met zijn bijzondere omstandigheden, namelijk het feit dat hij serieuze lichamelijke klachten heeft en psychiatrisch patiënt is.

4.4.1.

Het gaat hier om een aanvraag, zodat de bewijslast van bijstandsbehoevendheid in beginsel op appellant zelf rust. Voor de beoordeling of appellant verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden is zijn financiële situatie een essentieel gegeven. Appellant is daarom gehouden hier openheid over te geven en de daarvoor vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1297) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd en, als daar aanleiding toe is, over een periode die verder in het verleden ligt. Op grond van artikel 53a, eerste lid, van de Participatiewet (PW) bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt.

4.4.2.

Ter zitting van de Raad heeft het college erkend dat de vrijwaringsbewijzen niet essentieel zijn voor het bepalen van de periode waarin de voertuigen op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan, omdat dit uit Suwinet blijkt. Wel heeft het college van appellant ter beoordeling van zijn aanvraag om bijstand informatie mogen verlangen over de in- en verkoopprijzen van de auto’s die op zijn naam geregistreerd hebben gestaan, en, ter verificatie van de opgegeven prijzen, opgave van de namen en adressen van de (ver)kopers. Het overleggen van gegevens over zijn inkomsten uit de verkoop van auto’s en mogelijk opgebouwd vermogen is immers van essentieel belang voor de beoordeling van de financiële situatie - en daarmee het recht op bijstand - van appellant. Dit geldt temeer omdat uit het door appellant overgelegde proces-verbaal van 29 maart 2014 van aangifte van diefstal van een [auto] blijkt, dat de [auto] , bezien vanuit het oogpunt van bijstand, een relatief hoge waarde vertegenwoordigde. Het feit dat uit Suwinet is gebleken dat na 2 februari 2012 geen inkomsten van appellant bekend zijn, rechtvaardigt bovendien dat gegevens over een periode langer dan drie maanden voor de aanvraag om bijstand zijn opgevraagd. Het college heeft gegevens gevraagd waarover appellant redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. Dat appellant niet (meer) over facturen beschikt van de auto’s die hij heeft gekocht of verkocht komt voor zijn rekening en risico. Daarbij komt dat hij over de aan- en verkoop van de auto’s wel enige informatie had kunnen verstrekken, op andere wijze dan via de facturen.

4.4.3.

Uit de medische informatie die appellant heeft overgelegd, waaronder de informatie van zijn huisarts, blijkt niet dat appellant voorafgaand aan de gegeven hersteltermijn medisch niet in staat was de gevraagde stukken, al dan niet met hulp van een derde, te overleggen. Mocht dit laatste overigens anders zijn geweest, dan had het op de weg van appellant gelegen het college hiervan binnen de hier gegeven hersteltermijn op de hoogte te stellen.

4.4.4.

Uit 4.4.1 tot en met 4.4.3 volgt dat de onder 4.4 weergegeven beroepsgronden geen doel treffen.

4.5.

Appellant heeft nog aangevoerd dat de fase van een incomplete aanvraag al was gepasseerd, zodat het college niet meer bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het college was nog bezig met het vergaren van voor beoordeling van de aanvraag relevante gegevens. Een controle van die gegevens en een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag kon pas plaatsvinden nadat appellant alle voor de aanvraag relevante stukken en gegevens ingeleverd had. Uit 4.3.2 volgt dat daar in dit geval (nog) geen sprake van was.

4.6.

Gelet op wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.N.A. Bootsma en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) S.A. de Graaff

sg