Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1139

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
17/1549 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. De kosten waren voorzienbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1549 PW

Datum uitspraak: 10 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

30 januari 2017, 16/4725 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2018. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Yaman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 4 juni 2009, met een onderbreking in de periode van

12 augustus 2013 tot 17 oktober 2013, bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

In januari 2014 is appellant verhuisd naar een zelfstandige woning op het adres [adres 1] . In dat verband heeft appellant op 3 december 2015 bijzondere bijstand aangevraagd voor inrichtingskosten. Bij besluit van 20 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juli 2016 (bestreden besluit), heeft het college die aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, omdat de inrichtingskosten in de situatie van appellant te voorzien waren en appellant voldoende mogelijkheden heeft gehad om voor die kosten te reserveren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij

artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2.

De gevraagde inrichtingskosten worden tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten gerekend. Deze kosten dienen in beginsel uit een inkomen op bijstandsniveau te worden bestreden, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.

4.3.

Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen en dat deze in de situatie van appellant noodzakelijk zijn. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of bij appellant sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten. Appellant heeft in dit verband aangevoerd dat zijn vertrek naar de zelfstandige woning op het adres [adres 1] de derde noodzakelijke verhuizing in korte tijd was. Appellant heeft hierdoor slechts anderhalve maand kunnen reserveren, wat onvoldoende is om alle inrichtingskosten te dekken.

4.4.

In de door appellant aangevoerde omstandigheden heeft het college terecht geen aanleiding gezien om bijzondere bijstand te verstrekken voor de kosten van woninginrichting. Appellant huurde aanvankelijk een gemeubileerde woning op het adres [adres 2] . Door omstandigheden heeft appellant die woning medio 2013 moeten verlaten, waarna hij enige tijd in de woning van zijn broer op het adres [adres 3] heeft verbleven. Het was daarna de bedoeling dat appellant een zelfstandige woning zou betrekken op het adres [adres 4] , maar deze overgang heeft geen doorgang gevonden. Uiteindelijk is appellant in januari 2014 verhuisd naar de zelfstandige woning op het adres [adres 1] . Nog daargelaten dat uit het voorgaande niet blijkt dat appellant driemaal in korte tijd is verhuisd, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in het kader van de verhuizing naar het adres [adres 3] kosten heeft moeten maken. Aangezien appellant reeds vanaf juni 2009, met een onderbreking van ongeveer twee maanden, bijstand ontvangt, moet hij daarom in staat zijn geweest om een gedeelte van zijn bijstand te reserveren voor de inrichtingskosten. Deze kosten waren ook voorzienbaar, nu appellant sinds 2011 stond ingeschreven als woningzoekende.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2018.

(getekend) M. Hillen

(getekend) F. Dinleyici

ew