Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
16/7488 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Centrale Raad van Beroep verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie om bij wijze van prejudiciële beslissing antwoord te geven op de volgende vragen:

1. Kan een Turkse onderdaan die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat is toegetreden, de nationaliteit van die lidstaat heeft verworven zonder afstand te doen van zijn Turkse nationaliteit en vervolgens vrijwillig afstand heeft gedaan van de nationaliteit van die lidstaat van ontvangst en daarmee van het Unieburgerschap, een beroep doen op artikel 6 van Besluit 3/80 om zich aan de woonplaatsvoorwaarde van de TW te onttrekken?

2. Zo ja, op welk moment moet deze Turkse onderdaan voldoen aan de voorwaarde dat hij geen Unieburger is, om aanspraken te ontlenen aan artikel 6 van Besluit 3/80: reeds op het moment van vertrek uit de ontvangende lidstaat, dan wel pas vanaf het latere moment waarop de te exporteren uitkering in het buitenland zou moeten worden betaald?

3. Moet artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 aldus worden uitgelegd dat aan een Turkse onderdaan die op het moment van remigratie naar Turkije nog over de nationaliteit van een lidstaat beschikte, maar deze op een later moment vrijwillig heeft opgegeven, vanaf dit laatste moment de aanspraak op een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkering die ertoe strekt een minimuminkomen te waarborgen op basis van het sociaal minimum van de betreffende lidstaat, niet mag worden ontzegd om de enkele reden dat hij in Turkije woont, zelfs als hij tot het moment van vertrek uit de betreffende lidstaat geen aanspraak op deze bijzondere uitkering kon maken omdat toen nog niet aan de toekenningsvoorwaarden was voldaan?

Appellant bezit uitsluitend nog de Turkse nationaliteit en is met remigratievoorzieningen krachtens de Remigratiewet naar Turkije verhuisd. Aanvraag afgewezen voor een toeslag op grond van de TW naast WIA-loonaanvullingsuitkering beneden het Nederlandse sociaal minimum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/192
RSV 2018/118 met annotatie van Redactie
USZ 2018/167
JV 2018/101
SEW 2018, afl. 6, p. 267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7488 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] , Turkije ( [Appellant] )

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum: 11 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens [Appellant] heeft mr. N. Türkkol, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2016, 16/2693 (aangevallen uitspraak).

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2018. Namens [Appellant] is

mr. Türkkol verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer en mr. drs. J. Hut.

In verband met het voornemen om in deze zaak aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) een verzoek om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het VWEU te doen, is aan partijen een concept-vraagstelling gezonden.

Het Uwv heeft daarop gereageerd.

OVERWEGINGEN

1. Feiten en omstandigheden.

1.1.

[Appellant] is geboren [in] 1962. Hij heeft in de zin van artikel 6 van Besluit 1/80 van de Associatieraad EG-Turkije (Besluit 1/80) tot de legale arbeidsmarkt van Nederland behoord. Het Uwv heeft [Appellant] per 13 april 2010 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De uitkering wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 47%. Aan [Appellant] is tijdens zijn verblijf in Nederland nooit een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) toegekend, omdat zijn inkomen hoger was dan het sociaal minimum.

1.2.

Op 30 mei 2011 is [Appellant] met remigratievoorzieningen krachtens de Remigratiewet naar Turkije verhuisd. [Appellant] had op dat moment zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. In Turkije heeft [Appellant] nog enige tijd gewerkt.

1.3.

Op 17 december 2012 heeft [Appellant] afstand gedaan van de Nederlandse nationaliteit. Zonder deze afstand had hij niet behoord tot de doelgroep van de Remigratiewet en had hij geen aanspraak kunnen maken op voorzieningen krachtens de Remigratiewet. Sinds

17 december 2012 bezit [Appellant] uitsluitend de Turkse nationaliteit.

1.4.

Op 6 januari 2016 heeft [Appellant] een aanvraag ingediend voor een toeslag op grond van de TW. Zijn loonaanvullingsuitkering krachtens de Wet WIA was inmiddels vervangen door een aanmerkelijk lagere vervolguitkering. Zijn inkomen was daardoor gedaald beneden het Nederlandse sociaal minimum.

1.5.

Bij besluit van 2 februari 2016 heeft het Uwv de aanvraag om toeslag afgewezen omdat [Appellant] buiten Nederland woont. Op grond van artikel 4a van de TW heeft een uitkeringsgerechtigde die een inkomen heeft beneden het sociaal minimum, geen recht op toeslag gedurende de periode dat hij niet in Nederland woont. Bij besluit van 15 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2016 ongegrond verklaard.

1.6.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft het beroep op het arrest van het Hof van 26 mei 2011, Akdas c.s., C-485/07, verworpen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat er bij [Appellant] geen sprake is van een beperking van reeds verworven rechten. Pas nadat [Appellant] met behoud van zijn WIA-uitkering is teruggekeerd naar Turkije en vrijwillig afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit, heeft hij een toeslag aangevraagd. Het bestreden besluit is niet in strijd met artikel 6 van Besluit 3/80, nu het niet gaat om een vermindering, wijziging, schorsing, intrekking of verbeurdverklaring van een reeds toegekende uitkering. Verder heeft de rechtbank overwogen dat [Appellant] slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, waardoor hij ten tijde in geding de arbeidsmarkt niet voorgoed had verlaten en op grond van het associatierecht nog een verblijfsrecht in Nederland had. Volgens de rechtbank verkeerde [Appellant] hierdoor in een andere positie dan de Turkse onderdanen op wie het arrest Akdas c.s. betrekking heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is het arrest van het Hof van 14 januari 2015, Demirci c.s., C-171/13, evenmin onverkort op [Appellant] van toepassing, nu hij op 17 december 2012 afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit.

2. Rechtskader

2.1.

Het associatierecht

2.1.1.

Artikel 9 van de Associatieovereenkomst luidt als volgt:

“De overeenkomstsluitende partijen erkennen dat binnen de werkingssfeer van de overeenkomst en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel [12 EG] vermelde beginsel.”

2.1.2.

Artikel 59 van het Aanvullend Protocol luidt als volgt:

“Op de onder dit protocol vallende gebieden, mag de behandeling van Turkije niet gunstiger zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het [EG-Verdrag].”

2.1.3.

Artikel 6, eerste lid, eerste alinea van Besluit 3/80 van de Associatieraad EG/Turkije

(Besluit 3/80) luidt als volgt:

“Tenzij in dit besluit anders is bepaald, kunnen de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen alsmede de renten bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer lidstaten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurdverklaard op grond van het feit dat de rechthebbende in Turkije woont of op het grondgebied van een andere lidstaat dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.”

2.1.4.

Artikel 6, eerste en tweede lid, van Besluit 1/80 luidt als volgt:

“1. Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een

Lid-Staat behoort:

- na één jaar legale arbeid in die Lid-Staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de

Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lid-Staat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lid-Staat;

- na vier jaar legale arbeid, in die Lid-Staat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

2. Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.”

2.2.

Nationaal recht

2.2.1.

Artikel 4a van de TW luidde ten tijde van belang als volgt:

“1. Geen recht op toeslag heeft de persoon, bedoeld in artikel 2, gedurende de periode dat hij niet in Nederland woont.

2. De persoon, bedoeld in artikel 2, die op grond van het eerste lid geen recht heeft op toeslag, heeft vanaf de dag dat hij in Nederland woont recht op toeslag, indien hij aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2, eerste, tweede of derde lid, voldoet.”

2.2.2.

Artikel 2, eerste lid, van de Remigratiewet luidde ten tijde van belang als volgt:

“1. Deze wet is van toepassing op:

a. een meerderjarige vreemdeling als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, die behoort tot een minderheidsgroep, en

b. een meerderjarige Nederlander, die niet tevens een andere nationaliteit bezit, die behoort tot een minderheidsgroep en die verklaart bereid te zijn al hetgeen te doen wat in redelijkheid mogelijk is, om de nationaliteit van het bestemmingsland met bekwame spoed te verkrijgen.”

2.2.3.

Artikel 1, onder e, van de Rijkswet op het Nederlanderschap luidde ten tijde van belang als volgt:

“e. vreemdeling: hij die de Nederlandse nationaliteit niet bezit;”

3. Standpunten van partijen

3.1.

Het Uwv

3.1.1.

Het Uwv betwijfelt of [Appellant] nog aanspraken kan ontlenen aan Besluit 3/80. Het Uwv benadrukt dat [Appellant] vanaf het moment dat hij de Nederlandse nationaliteit bezat, de hoogste mate van integratie in Nederland had bereikt. In de visie van het Uwv was het associatierecht niet meer op [Appellant] van toepassing vanaf het moment dat hij Unieburger werd. Voor zover het associatierecht weer op [Appellant] van toepassing is geworden nadat hij vrijwillig afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit, zijn de aanspraken die hij aan het associatierecht kon ontlenen voordat hij de Nederlandse nationaliteit verwierf, niet herleefd.

3.1.2.

Op het moment van zijn vrijwillige verhuizing naar Turkije had [Appellant] geen aanspraak op toeslag omdat zijn inkomen daarvoor te hoog was. Als het inkomen van [Appellant] lager was geweest, zodat hij in Nederland aanspraak had kunnen maken op toeslag, had hij toch als Unieburger op dat moment geen aanspraak kunnen maken op export daarvan. Van een verkregen recht in de zin van artikel 6 van Besluit 3/80 is om deze beide redenen geen sprake. Daarom is artikel 6 van Besluit 3/80 in dit geval niet van toepassing.

3.1.3.

[Appellant] kon ten tijde van zijn verhuizing naar Turkije naar believen terugkeren naar Nederland omdat hij nog de Nederlandse nationaliteit bezat. Voor zover de aanspraken van [Appellant] op grond van het associatierecht zijn herleefd nadat [Appellant] vrijwillig afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit, is zijn verblijfsrecht in Nederland niet als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid verloren gegaan. [Appellant] wordt voor 47% arbeidsongeschikt geacht en heeft de Nederlandse arbeidsmarkt dus niet voorgoed verlaten. Het arrest Akdas c.s. is daarom in de situatie van [Appellant] niet van toepassing.

3.2.

[Appellant]

Volgens [Appellant] is niet relevant dat hij eerder de Nederlandse nationaliteit heeft gehad en dat hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. [Appellant] had op het moment dat hij toeslag aanvroeg nog slechts de Turkse nationaliteit en had geen verblijfsrecht meer in Nederland op grond van het associatierecht. Daarom moeten zijn aanspraken worden beoordeeld aan de hand van het arrest Akdas c.s. [Appellant] benadrukt daarbij dat aan andere Turkse onderdanen die in Turkije een toeslag aanvroegen, wel op grond van artikel 6 van Besluit 3/80 een toeslag is toegekend.

4. De omvang van het geding

4.1.

De vraag is of [Appellant] , die

- zolang hij in Nederland woonde, geen aanspraak op toeslag had;

- Nederland geheel vrijwillig heeft verlaten;

- er daarbij voor heeft gekozen om aanspraak te maken op remigratievoorzieningen, waarvoor echter vereist was dat hij afstand deed van de Nederlandse nationaliteit;

- op het moment van zijn remigratie naar Turkije nog de Nederlandse nationaliteit had;

- in Turkije afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit;

- gedeeltelijk (47%) arbeidsongeschikt is en in Turkije nog arbeid heeft verricht en

- pas na enige tijd van verblijf in Turkije in een inkomenssituatie is komen te verkeren die aanspraak op toeslag zou kunnen geven,

recht heeft op een toeslag op grond van artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80.

4.2.

In het geding van [naam A] tegen het Uwv heeft de Raad op 1 december 2017 prejudiciële vragen aan het Hof gesteld (ECLI:NL:CRVB:2017:4338). Die zaak betrof ook de export van toeslag op grond van de TW naar Turkije onder toepassing van artikel 6 van Besluit 3/80. De zaak is bij het Hof aanhangig onder nummer C-677/17. In die zaak heeft de Raad de volgende vraag aan het Hof voorgelegd:

“Moet artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 met inachtneming van artikel 59 van het Aanvullend Protocol aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals artikel 4a van de TW, op grond waarvan een toegekende aanvullende prestatie wordt ingetrokken als de begunstigde naar Turkije verhuist, ook indien deze begunstigde het grondgebied van de lidstaat op eigen initiatief heeft verlaten? Is daarbij van belang dat de betrokkene op het moment van vertrek niet langer een verblijfsrecht heeft op grond van het associatierecht, maar wel beschikt over een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen? Is daarbij van belang dat de betrokkene op grond van nationale regelgeving binnen één jaar na vertrek de mogelijkheid heeft om terug te keren om zo de toeslag te herkrijgen, en dat die mogelijkheid verder bestaat zo lang als hij beschikt over de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen?”

De Raad verwijst voor een meer algemene beschouwing over de juridische context van deze problematiek naar de verwijzingsbeschikking in de zaak [naam A] .

4.3.

Er is een aanmerkelijke kans dat de Raad met het antwoord van het Hof op de vraag in de zaak [naam A] nog niet over voldoende gegevens beschikt om in de onderhavige zaak tot beslechting van het geschil te komen. Belangrijkste overeenkomst tussen beide zaken is dat [naam A] en [Appellant] Nederland beiden vrijwillig hebben verlaten. Mocht het Hof in de zaak [naam A] tot het oordeel komen dat er reeds vanwege het vrijwillige karakter van dit vertrek uit Nederland geen aanspraak bestaat op export van de toeslag, dan kan daarmee ook het onderhavige geschil worden beslecht.

4.4.

Mocht het Hof echter een meer genuanceerde benadering kiezen, dan springen verschillende relevante verschillen tussen de zaak [naam A] en de onderhavige zaak in het oog:

- [naam A] had een verkregen recht in de zin van artikel 6 van Besluit 3/80. Ten aanzien van [Appellant] bestaat hierover twijfel;

- [naam A] was op het moment van remigratie naar Turkije geen Unieburger; [Appellant] wel;

- [naam A] vroeg toeslag aan op een moment dat hij nog naar Nederland kon terugkeren en

- [Appellant] heeft toeslag aangevraagd op een moment dat hij geen enkel verblijfsrecht meer had in Nederland.

Deze aspecten kunnen relevant zijn bij de beoordeling van de aanspraak van [Appellant] op verkrijging van de toeslag in Turkije. De Raad ziet daarom aanleiding om in deze zaak nadere vragen aan het Hof te stellen. Ter toelichting wordt het volgende opgemerkt.

5. Belang afstand van de Nederlandse nationaliteit

5.1.

In de eerste plaats rijst de vraag of ten aanzien van een Turkse werknemer als [Appellant] , die de nationaliteit van een lidstaat heeft verworven en deze vervolgens weer vrijwillig heeft opgegeven, aanspraken op grond van het associatierecht herleven.

5.2.

In het arrest Demirci c.s. heeft het Hof overwogen dat de Turkse werknemer die de nationaliteit van de ontvangende lidstaat heeft verkregen, in een heel specifieke positie komt te verkeren, in het bijzonder gelet op de doelstellingen van het associatierecht EEG-Turkije. Deze werknemer heeft in beginsel het hoogste niveau van integratie in die lidstaat bereikt en het Unieburgerschap verworven (ro. 51 tot en met ro. 53). Niets rechtvaardigt volgens het Hof dat een dergelijke Turkse staatsburger door de lidstaat van ontvangst voor de uitkering van een prestatie als de toeslag niet volledig als een eigen burger zou worden behandeld (ro. 57). Aldus zouden dergelijke Turkse staatsburgers immers zowel ten opzichte van Turkse werknemers die de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst niet hebben verworven, als ten opzichte van Unieburgers zonder de Turkse nationaliteit, worden bevoordeeld (ro. 59). Burgers van een lidstaat die de nationaliteit van deze staat hebben verkregen nadat zij als Turkse werknemers tot de legale arbeidsmarkt ervan zijn toegetreden in de zin van artikel 6 van Besluit 1/80, zonder dat zij afstand hebben gedaan van de Turkse nationaliteit, kunnen zich niet met een beroep op Besluit 3/80 onttrekken aan het woonplaatsvereiste waarvan de toeslag afhankelijk is (ro. 60).

5.3.

Ten aanzien van [Appellant] zijn de integratiedoelstellingen van het associatierecht volledig verwezenlijkt, aangezien [Appellant] op enig moment het Unieburgerschap heeft verworven. Uit het arrest Demirci c.s. kan worden afgeleid dat [Appellant] voor wat betreft zijn uitkeringssituatie op het moment van vertrek uit Nederland slechts in zijn hoedanigheid van Unieburger diende te worden beschouwd. Hij was vergelijkbaar met welke Unieburger dan ook en het feit dat hij tevens over de Turkse nationaliteit beschikte, was niet van belang. Hij kon volledig gebruikmaken van het vrije verkeer van Unieburgers. Evenmin als andere Unieburgers kon [Appellant] zich aan het woonplaatsvereiste in de TW onttrekken.

5.4.

Op het moment waarop hij de toeslag aanvroeg, was [Appellant] echter geen Unieburger meer. Hij had nog uitsluitend de Turkse nationaliteit. Nu hij reeds 4½ jaar daarvoor uit Nederland was vertrokken, dient er naar het oordeel van de Raad van te worden uitgegaan dat hij de Nederlandse arbeidsmarkt voorgoed had verlaten en dat hij geen verblijfsrecht meer had op grond van het associatierecht. Ook anderszins had hij geen verblijfsrecht meer in Nederland. De termijn van de terugkeeroptie op grond van de Remigratiewet was inmiddels verlopen. Dat [Appellant] toen inmiddels niet meer kon terugkeren naar Nederland, is een rechtstreeks gevolg van de keuze die [Appellant] in alle vrijheid gemaakt heeft, om zich in Turkije te vestigen met remigratievoorzieningen op grond van de Remigratiewet. [Appellant] had als Nederlander zonder meer in Nederland kunnen blijven. Hij had er ook voor kunnen kiezen om met zijn

WIA-uitkering, maar zonder remigratievoorzieningen, te remigreren. Dan had hij de Nederlandse nationaliteit en dus zijn Unieburgerschap kunnen behouden, en onbelemmerd gebruik kunnen maken van het vrije verkeer van Unieburgers. Dan had hij zich echter niet kunnen onttrekken aan het woonplaatsvereiste in de TW.

5.5.

De vraag is dan, of in een situatie van vrijwillige afstand van het Unieburgerschap de op sommige punten ruimere aanspraken op grond van het associatierecht herleven. Betoogd kan worden dat er in dat geval sprake zou zijn van een door artikel 59 van het Aanvullend Protocol verboden gunstiger behandeling van Turkije dan van de lidstaten. Turkse werknemers die het Unieburgerschap hebben verworven, zouden dan immers, uitsluitend omdat zij de Turkse nationaliteit niet hebben opgegeven, kunnen kiezen tussen de voordelen van het Unieburgerschap en de voordelen van het associatierecht. Een dergelijke keuze hebben Unieburgers zonder de Turkse nationaliteit niet. De Raad ziet hier een analogie met punt 59 van het arrest Demirci c.s.

5.6.

Het bovenstaande leidt in de eerste plaats tot de vraag of een persoon die vrijwillig afstand heeft gedaan van de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst en daarmee van het Unieburgerschap, een beroep kan doen op artikel 6 van Besluit 3/80 om zich aan de woonplaatsvoorwaarde van de TW te onttrekken. Wordt deze vraag bevestigend beantwoord, dan moet de vraag nog worden beantwoord op welk moment een persoon moet voldoen aan de voorwaarde dat hij geen Unieburger is, om aanspraken te ontlenen aan artikel 6 van Besluit 3/80: reeds op het moment van vertrek uit de ontvangende lidstaat, dan wel pas vanaf het latere moment waarop de te exporteren uitkering in het buitenland zou moeten worden betaald.

6. Verkregen recht?

6.1.

Indien moet worden aangenomen dat de aanspraken van [Appellant] op grond van het associatierecht zijn herleefd nadat hij zijn Nederlandse nationaliteit had opgegeven, rijst de vraag of er in zijn geval sprake is van een verkregen recht in de zin van artikel 6 van Besluit 3/80.

6.2.

Vast staat dat [Appellant] vóór zijn vertrek naar Turkije geen aanspraak had op toeslag omdat zijn inkomen hoger was dan het sociaal minimum. Pas na de omzetting van zijn loongerelateerde uitkering in een vervolguitkering daalde zijn inkomen beneden het Nederlandse sociaal minimum. [Appellant] verbleef toen al ruim een jaar in Turkije. In strikte zin heeft [Appellant] vóór zijn vertrek uit Nederland dus geen recht op toeslag “verkregen” in de zin van artikel 6 van Besluit 3/80.

6.3.

Hier staat tegenover dat (voor zover hier van belang) op grond van artikel 2 jo. artikel 4a van de TW iedere persoon die recht heeft op een loondervingsuitkering beneden het sociaal minimum, tevens recht heeft op een toeslag, mits hij in Nederland woont. Betoogd kan worden dat [Appellant] vanaf het moment dat hij aanspraak kreeg op een loondervingsuitkering, weliswaar geen concreet recht op toeslag had verworven, maar wel, in meer abstracte zin, een aanspraak op bescherming op Nederlands minimumniveau volgens de regels van de TW voor de duur van zijn loondervingsuitkering. Toen het inkomen van [Appellant] beneden het Nederlandse sociaal minimum was gedaald, stond uitsluitend zijn woonplaats buiten Nederland in de weg aan toekenning van de toeslag. Uitgaande van de jurisprudentie die is gewezen ten aanzien van Verordening (EEG) nr. 1408/71, moet waarschijnlijk worden geoordeeld dat aan [Appellant] ook onder die omstandigheden het recht op toeslag niet mag worden ontzegd. In dit verband zij verwezen naar het arrest van het Hof van 10 juni 1982, Camera, echtgenote Carraciolo, 92/8, ECLI:EU:C:1982:219.

6.4.

De Raad vraagt zich echter af of ook artikel 6 van Besluit 3/80 zo moet worden uitgelegd dat niet alleen verkregen rechten niet mogen worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurdverklaard, maar ook dat het recht op uitkering niet aan de betrokkene mag worden ontzegd op grond van het feit dat de rechthebbende in Turkije woont en zo ja, of deze extensieve uitleg, waartoe de tekst van artikel 6 van Besluit 3/80 strikt genomen niet dwingt, ook geldt ten aanzien van bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkeringen die ertoe strekken een inkomen te waarborgen ter hoogte van het sociaal minimum in de lidstaat die de loondervingsuitkering verschuldigd is.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verzoekt het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het

VWEU antwoord te geven op de volgende vragen:

1. Kan een Turkse onderdaan die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat is toegetreden, de nationaliteit van die lidstaat heeft verworven zonder afstand te doen van zijn Turkse nationaliteit en vervolgens vrijwillig afstand heeft gedaan van de nationaliteit van die lidstaat van ontvangst en daarmee van het Unieburgerschap, een beroep doen op artikel 6 van Besluit 3/80 om zich aan de woonplaatsvoorwaarde van de TW te onttrekken?

2. Zo ja, op welk moment moet deze Turkse onderdaan voldoen aan de voorwaarde dat hij geen Unieburger is, om aanspraken te ontlenen aan artikel 6 van Besluit 3/80: reeds op het moment van vertrek uit de ontvangende lidstaat, dan wel pas vanaf het latere moment waarop de te exporteren uitkering in het buitenland zou moeten worden betaald?

3. Moet artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 aldus worden uitgelegd dat aan een Turkse onderdaan die op het moment van remigratie naar Turkije nog over de nationaliteit van een lidstaat beschikte, maar deze op een later moment vrijwillig heeft opgegeven, vanaf dit laatste moment de aanspraak op een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkering die ertoe strekt een minimuminkomen te waarborgen op basis van het sociaal minimum van de betreffende lidstaat, niet mag worden ontzegd om de enkele reden dat hij in Turkije woont, zelfs als hij tot het moment van vertrek uit de betreffende lidstaat geen aanspraak op deze bijzondere uitkering kon maken omdat toen nog niet aan de toekenningsvoorwaarden was voldaan?

- houdt de verdere behandeling van het geding aan totdat het Hof uitspraak zal hebben

gedaan.

Dit verzoek is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) H. Achtot

TM