Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1117

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
18-9 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kortsluiting bij verzoek om voorlopige voorziening. Afwijzing van de aanvraag is ten onrechte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/9 PW, 18/10 PW, 18/11 PW, 18/12 PW, 18/13 PW, 18/435 PW-VV, 18/436 PW-VV, 18/437 PW-VV, 18/438 PW-VV, 18/439 PW-VV

Datum uitspraak: 5 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 november 2017, 17/1533 e.v. (aangevallen uitspraak), en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 22 januari 2018

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Langedijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak van de rechtbank en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Verzoekster heeft daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 18/1202 PW-VV en 18/1203 PW-VV, plaatsgevonden op 8 maart 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Jokhan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.J. Boes en mr. S.S. Kindt-Jiawan. In de zaken 18/1202 PW-VV en 18/1203 PW-VV wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster ontving vanaf 1 mei 1991 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Bij besluit van 31 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 december 2015, heeft het college de bijstand van verzoekster met ingang van 1 september 2015 beëindigd. Bij besluit van 7 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 mei 2016, heeft het college de bijstand van verzoekster met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoekster met haar halfbroer [naam halfbroer] (H) een gezamenlijke huishouding voert. Bij uitspraak van 25 augustus 2017 (16/344 en 16/2682) heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 10 december 2015 en 3 mei 2016 ongegrond verklaard.

1.2.

Op 13 april 2016 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor diverse kosten, waaronder eigen bijdragen voor rechtsbijstand, CAK en medicijnen, alsook een rekening van de KPN en Univé. Bij besluit van 21 juni 2016 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 maart 2017 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat niet een volledig ingevuld basisgegevensformulier is ontvangen (lees: de financiële gegevens van H zijn niet verstrekt).

1.3.

Op 27 juni 2016, 25 juli 2016 en 31 augustus 2016 heeft verzoekster nieuwe aanvragen om bijstand ingediend. Bij besluiten van respectievelijk 15 juli 2016 (besluit 2), 18 augustus 2016 (besluit 3) en 22 september 2016 (besluit 4), na bezwaar gehandhaafd bij afzonderlijke besluiten van 10 maart 2017 (bestreden besluiten 2, 3 en 4), heeft het college de aanvragen afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat onverminderd sprake is van een gezamenlijke huishouding met H en dat verzoekster bij haar opvolgende aanvragen om bijstand heeft nagelaten gewijzigde omstandigheden te onderbouwen.

1.4.

Op 25 augustus 2016, 9 september 2016 en 26 september 2016 heeft verzoekster aanvragen om bijzondere bijstand voor kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand ingediend. Bij besluiten van respectievelijk 7 oktober 2016 (besluit 5), 6 oktober (besluit 6) en 7 oktober 2016 (besluit 7), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 maart 2017 (bestreden besluit 5), heeft het college de aanvragen afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoekster met H een gezamenlijke huishouding voert en dat het recht op bijzondere bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van verzoekster tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht heeft de rechtbank toegewezen.

3. Verzoekster heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb, kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat overigens geen sprake is van een beletsel om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Hoofdzaak

4.4.

Bij uitspraak van heden (17/6532 PW e.v.) heeft de voorzieningenrechter de in 1.1 vermelde uitspraak van 25 augustus 2017 van de rechtbank vernietigd, de besluiten van

10 december 2015 en 3 mei 2016 vernietigd en de tot beëindiging en intrekking strekkende besluiten van 31 augustus 2015 en 7 januari 2016 herroepen. De voorzieningenrechter heeft daarbij, voor zover van belang, geoordeeld dat onvoldoende grondslag bestaat voor de conclusie dat verzoekster vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met H als gehuwd moet worden aangemerkt.

4.5.

Aan besluiten 2, 3 en 4 ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de bijstand van verzoekster al was ingetrokken en dat opnieuw bijstand moest worden aangevraagd. Aan besluiten 1, 5, 6 en 7 ligt het uitgangspunt ten grondslag dat voor het vaststellen van het recht op bijzondere bijstand van verzoekster ook de financiële gegevens van H nodig zijn. Uit 4.4 volgt dat deze uitgangspunten - achteraf bezien - onjuist zijn. Dit betekent dat bestreden besluiten 1 tot en met 5 geen deugdelijke grondslag hebben. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzieningenrechter de beroepen gegrond verklaren en bestreden besluiten 1 tot en met 5 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter zal zelf in de zaak voorzien door besluiten 2, 3 en 4 te herroepen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat aan deze besluiten hetzelfde gebrek kleeft als aan bestreden besluiten 2, 3 en 4 en dat dit gebrek niet meer kan worden hersteld. Nu de voorzieningenrechter voor wat betreft de aanvragen om bijzondere bijstand niet over voldoende gegevens beschikt om zelf in de zaak te voorzien, zal de voorzieningenrechter het college opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe - inhoudelijke - beslissing te nemen op het bezwaar van verzoekster tegen besluiten 1, 5, 6 en 7. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Voorlopige voorziening

5. Gelet op wat in 4.5 is overwogen bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen noodzaak. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

Schadevergoeding en proceskosten

6. Verzoekster heeft verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente. In zaak 17/6532 PW e.v. is het college veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de vanaf 1 januari 2015 na te betalen bijstand. Nu in deze procedure niet is gebleken van meer of andere achterstallige betalingsverplichtingen, moet dit verzoek worden afgewezen.

7. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van verzoekster. Deze kosten worden begroot op € 1.503,- in bezwaar, € 1.503,- in beroep en € 501,- in hoger beroep, derhalve in totaal € 3.507,- voor verleende rechtsbijstand in samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verder is van belang dat in zaak 17/6532 PW e.v. reeds een vergoeding is toegekend voor het verschijnen ter zitting en gemaakte reiskosten in hoger beroep.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens de beslissing over het griffierecht;

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 10 maart 2017;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar tegen de besluiten van 21 juni 2016,
6 oktober 2016 en 7 oktober 2016 te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt
dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- herroept de besluiten van 15 juli 2016, 18 augustus 2016 en 22 september 2016 en bepaalt
dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 10 maart 2017;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 3.507,-;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) F. Demiroğlu

JL