Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1115

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
16/2071 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Over de belasting in het door appellant verrichte werk bestaat nog steeds onduidelijkheid. Gelet op de aanwezige informatie, wordt de conclusie getrokken dat appellant niet geschikt is voor het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19, eerste en vijfde lid, van de ZW en dat hij ook per 18 november 2014 recht heeft op ziekengeld. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevallen, voor vernietiging in aanmerking. Primaire besluit wordt herroepen. Nabetaling ziekengeld plus wettelijke rente en proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2071 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

18 februari 2016, 15/3271 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gorkum. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is, via een uitzendbureau, werkzaam geweest als machine-operator/dozenvouwer voor 40 uur per week. Zijn dienstverband is op 7 juli 2013 geëindigd. Appellant heeft zich op 6 januari 2014 ziek gemeld met nek-, hoofd- en schouderklachten na een scooterongeval. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Op 18 november 2014 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts (in opleiding). Deze arts heeft appellant per 18 november 2014 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van machine-operator, omdat er volgens deze arts bij appellant geen medisch objectiveerbare belemmeringen bestaan om dit werk te verrichten. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 18 november 2014 vastgesteld dat appellant per 18 november 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de ZW. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

In de bezwaarfase heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een onderzoek gedaan naar de belasting in het laatstelijk verrichte werk van machine-operator/dozenvouwer. Uit zijn rapport van 20 april 2015 blijkt dat deze arbeidsdeskundige voor die belasting is uitgegaan van de belasting in een in het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) voorkomende functie (in SBC-code 111174) van productiemedewerker papier/karton drukkerij, omdat de door appellant genoemde tilbelasting van 80 x per uur 25 kg tillen hem niet waarschijnlijk voorkomt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet de primaire arts gevolgd in zijn medisch oordeel, maar appellant, wegens zijn nekproblemen, beperkt geacht voor zware belasting van nek en schouders. Dat houdt in dat hij appellant niet in staat acht frequent gewichten van 15 kg of meer te tillen, dragen, duwen en trekken. Met inachtneming van deze beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant geschikt geacht voor de functie in SBC-code 111174. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 november 2014 heeft het Uwv bij besluit van 22 april 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 april 2015 ten grondslag.

1.4.

In de procedure bij de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 1 juli 2015 in de eerste plaats zijn standpunt herhaald dat bij een zieke werknemer zonder werkgever uitgegaan kan worden van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever worden verricht en dat daarvoor in deze situatie de functiebeschrijving kan worden gehanteerd van de functie in SBC-code 111174. In de tweede plaats heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nadere informatie opgevraagd bij de destijds inlenende werkgever. Uit die informatie zou blijken dat tien keer per uur de voorraad karton in de machine moet worden getild, dat dit per keer om 10 kilo gaat. Verder moet zes keer per uur

1 kg lijm worden bijgevuld. Per uur worden er tussen de 1.200 en 1.400 dozen gestapeld. Per keer worden er acht dozen gestapeld en op de pallet gezet. Een gereed gekomen kartonnen doos weegt tussen de 0,3 en 1 kg. Het totale gewicht per keer ligt dan tussen de 2,4 en 8 kg.

1.5.

Ter zitting van de rechtbank zijn door de gemachtigde van appellant een drietal filmpjes getoond, waarin visueel zichtbaar een aantal belastende aspecten van het werk van appellant zijn vastgelegd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 5 augustus 2015 uiteengezet dat hij nog steeds zijn keus kan verdedigen om voor de maatstaf arbeid in dit geval uit te gaan van de functiebeschrijving van de eerder genoemde functie in SBC-code 111174. De door appellant gemelde tilbelasting van 25 kg of meer ziet de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep als een extra verzwarende omstandigheid die op grond van artikel 19, vijfde lid, buiten aanmerking moet worden gelaten bij het vaststellen van de maatstaf arbeid in het kader van de ZW. Het tillen van 25 kg is in strijd met Arbonormen. Met een beroep op de door de Stichting van de Arbeid in februari 2015 verschenen “Handreiking Fysieke Belasting” geldt als uitgangspunt dat 23 kg tillen het maximum tilgewicht is. De door appellant in geding gebrachte filmpjes moeten volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volledig buiten aanmerking worden gelaten, omdat ze niet relevant zijn voor de vaststelling van “zijn arbeid”. De extra verzwarende omstandigheden dienen met toepassing van artikel 19, vijfde lid, van de ZW buiten aanmerking te worden gelaten. Ten overvloede heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep daaraan nog toegevoegd dat als de rechtbank vindt dat de informatie in de filmpjes wel relevant is, dit betekent dat de rechtbank impliciet van oordeel is dat in deze zaak het bepaalde in artikel 19, vijfde lid, van de ZW niet van toepassing is. Een nader onderzoek is dan niet meer noodzakelijk, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep al te kennen heeft gegeven dat frequent zwaar tillen van meer dan 15 kg voor appellant te belastend is.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank het verzoek om renteschade afgewezen en het Uwv veroordeeld tot het vergoeden van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft overwogen dat eerst in beroep het Uwv het bestreden besluit van een draagkrachtige motivering heeft voorzien door bij brief van 9 september 2015 definitief en gemotiveerd te kennen te geven dat artikel 19, vijfde lid, van de ZW als wettelijke grondslag voor het bestreden besluit heeft te gelden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapporten van 20 april 2015, 1 juli 2015 en

5 augustus 2015 voldoende gemotiveerd en inzichtelijk uiteen heeft gezet waarom met de functiebeschrijving van de CBBS-functie productiemedewerker papier/karton drukkerij geen verkeerde maatstaf is gehanteerd voor de in aanmerking te nemen arbeid. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen geen aanknopingspunten te hebben voor het oordeel dat het onderzoek door de artsen van het Uwv niet zorgvuldig is verlopen. De artsen van het Uwv hebben volledig en inzichtelijk onderzoek gedaan en geen klachten over het hoofd gezien. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen. Het benoemen van een deskundige heeft de rechtbank daarom niet noodzakelijk geacht. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende is gemotiveerd dat de belasting van het eigen werk, met name op het aspect voortdurend in hoog tempo boven schouderhoogte werken, niet wordt overschreden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte het Uwv niet veroordeeld heeft tot het vergoeden van de kosten van het opvragen van medische informatie bij de behandelend sector. Voorts heeft appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte het medisch onderzoek zorgvuldig heeft geacht en geen aanleiding heeft gezien te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel zijn fysieke als psychische beperkingen zijn onderschat. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen. Over de arbeidskundige grondslag heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de opvatting van het Uwv over het aspect van de gehanteerde maatstaf arbeid heeft onderschreven. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat uitgegaan dient te worden van de belasting in het eigen werk bij zijn voormalig werkgever en dat de belasting van dit werk door het Uwv is onderschat. Tot slot heeft appellant opnieuw verzocht het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van renteschade.

3.2.

Het Uwv heeft aangevoerd dat, nu appellant in hoger beroep geen nieuwe medische informatie heeft ingebracht, geen aanleiding wordt gezien te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Vervolgens heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat artikel 19, vijfde lid, van de ZW als wettelijke grondslag voor de beoordeling van de maatgevende arbeid heeft te gelden en dat, nu dit een dwingendrechtelijke bepaling betreft, geen sprake is van vrijheid van keuze. Daarnaast heeft het Uwv onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van 6 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0672, aangevoerd dat bijzonder verzwarende aspecten van het laatst verrichte werk buiten beschouwing gelaten moeten worden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het frequent tillen van lasten van 25 kg of meer terecht opgevat als een extra verzwarende omstandigheid die onder toepassing van artikel 19, vijfde lid, van de ZW buiten beschouwing dient te worden gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

In de in 3.2 genoemde uitspraak van de Raad is met een verwijziging naar de memorie van toelichting bij de Wet van 12 december 2007, houdende regels tot bevordering van de activering van personen die aanspraak maken op een uitkering op grond van de Ziektwet (Stb. 2007, 553) uiteengezet dat het vijfde lid van artikel 19 van de ZW is geschreven met het doel om voor vangnetters zonder werkgever het begrip “zijn arbeid” te verruimen door, in het geval sprake is van bijzondere aspecten die een werkhervatting in de weg staan, deze buiten beschouwing te laten. Daarmee wordt een al te gemakkelijk beroep op de ZW voorkomen, in evidente gevallen waarin betrokkene nog wel geschikt is de werkzaamheden die gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn functie uit te oefenen (Kamerstukken II 2006/07, 30 909, nr. 3,

p. 4). Dat betekent dat als sprake is van ongeschiktheid voor de werkzaamheden die gewoonlijk kenmerkend zijn voor een functie, wel recht bestaat op ziekengeld.

4.3.

Het door appellant verrichte werk als machine-operator/dozenvouwer betreft een functie waarin sprake is van het bedienen van een machine die dozen vouwt en plakt. Karton en lijm worden in een machine geplaatst en de gereed gekomen dozen worden uit die machine gepakt en op pallets geplaatst. Ongetwijfeld bestaan er landelijk meerdere functies van dozenvouwer, waarin de hoofdtaak bestaat uit het plaatsen van karton en lijm in een machine en het pakken uit de machine van de gereed gekomen dozen. Vergelijking van de functie die appellant heeft verricht en de CBBS-functie laat zien dat in de CBBS-functie meer en kleinere dozen en doosjes worden gemaakt en dat de belasting op een aantal aspecten lager is dan in de functie die appellant uitoefende. Tillen is een aspect dat in alle vergelijkbare functies van dozenvouwers voorkomt. Afhankelijk van onder meer de machine waarmee wordt gewerkt en de grootte van de dozen die worden gemaakt zal er meer of minder zwaar getild moeten worden. Het enkele feit dat in een functie meer gewicht moet worden getild dan in een andere functie maakt niet dat het zwaardere tillen een bijzonder verzwarend aspect is van die functie dat buiten beschouwing moet worden gelaten bij de bepaling van de maatstaf arbeid. Het tillen in de verschillende functies van verschillende gewichten als zodanig is een onderdeel van de werkzaamheden van een dozenvouwer die gewoonlijk kenmerkend zijn voor die functie.

4.4.

Over de belasting in het door appellant verrichte werk bestaat nog steeds onduidelijkheid. Gelet onder meer op de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van

5 augustus 2015 genoemde probleemverkenning ZW van 15 juli 2011 en het rapport van verzekeringsarts Alibahadoer van 15 april 2014, is het echter voldoende aannemelijk dat in het werk van appellant de belasting op het aspect tillen meer dan 15 kg bedraagt. De informatie van de werkgever aan de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 juli 2015 biedt onvoldoende duidelijkheid om aan te nemen dat appellant minder dan 15 kg hoefde te tillen. Gegeven de situatie dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant op de datum in geding niet in staat acht tot meer dan 15 kg tillen, wordt de conclusie getrokken dat appellant niet geschikt is voor het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19, eerste en vijfde lid, van de ZW en dat hij ook per 18 november 2014 recht heeft op ziekengeld.

4.5.

Gelet op de overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 heeft het Uwv ten onrechte beslist dat appellant per 18 november 2014 geen recht heeft op ziekengeld en heeft de rechtbank eveneens ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevallen, voor vernietiging in aanmerking. Tevens wordt aanleiding gezien het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat appellant per

18 november 2014 recht heeft op ziekengeld. De overige aangevoerde gronden hoeven niet meer te worden besproken.

5. Het Uwv zal, gelet op het verzoek van appellant, de wettelijke rente moeten vergoeden over de nabetaling van de uitkering, te berekenen overeenkomstig de uitspraak van de Raad van

25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.002,- in bezwaar en € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal

€ 2.004,-. Voorts wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de in bezwaar gemaakte kosten voor het opvragen van medische informatie bij OCA Zorg, voor een bedrag van € 70,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het besluit van

22 april 2015 in stand zijn gelaten;

  • -

    herroept het besluit van 18 november 2014;

  • -

    bepaalt dat appellant per 18 november 2014 recht heeft op ziekengeld;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van 22 april 2015;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan appellant van wettelijke rente zoals onder 5 vermeld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.074,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) R.H. Budde

OS