Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
17/5968 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroepschrift grotendeels herhaling beroepsgronden. Geen reden anders te oordelen dan de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan. Aansluiten bij overwegingen rechtbank. Betoog van appellant ter zitting leidt niet tot een ander oordeel. De beslissingen zijn (voldoende) duidelijk op punt van samenstelling bedragen en rechtsgevolgen. Evenals de wettelijke regeling (en de informatie in brochures).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5968 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2017, 16/9486 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (Spanje) (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 28 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn vader [naam vader] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2018. Appellant heeft zich door zijn vader en mr. A.J.P.M. Kempenaars laten vertegenwoordigen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Door middel van een aanvraagformulier ontvangen 5 december 2011 heeft appellant studiefinanciering aangevraagd voor zijn studie in Spanje. Op het formulier heeft hij aangekruist dat hij een basisbeurs en een OV-vergoeding wenst. Bij de daarna op het formulier gestelde vraag welk bedrag hij aan lening zou willen ontvangen, is het hokje “maximaal” aangekruist.

1.2.

Bij besluit van 16 mei 2012 is aan appellant meegedeeld dat nog wordt onderzocht of hij voor zijn buitenlandse opleiding studiefinanciering kan ontvangen. Bij de geregistreerde gegevens is vermeld dat appellant basisbeurs en lening heeft aangevraagd.

1.3.

Bij besluit van 23 juni 2012 is aan appellant studiefinanciering toegekend in de vorm van een basisbeurs, een lening en een OV-vergoeding.

1.4.

Bij besluiten van (onder meer) 20 oktober 2012, 10 december 2013, 14 maart 2014 en

6 december 2014 heeft de minister aan appellant meegedeeld welk bedrag aan studiefinanciering maandelijks zou worden betaald, hoe dat bedrag was samengesteld en welk bedrag, naast de prestatiebeurs, aan schuld was opgebouwd.

1.5.

De toekenning is gecontinueerd tot 1 september 2015. Vanaf die datum had appellant geen recht meer op een prestatiebeurs en is, na een verzoek om verlaging van het bedrag aan lening tot nihil, tot 1 mei 2016 maandelijks een OV-vergoeding betaald. Omdat appellant te kennen heeft gegeven vanaf 1 maart 2016 geen aanspraak meer te maken op de

OV-vergoeding, is deze met ingang van dat moment beëindigd. De ten onrechte uitbetaalde vergoeding over de maanden maart tot en met mei 2016 is daarbij van hem teruggevorderd.

1.6.

Bij brief van 1 juli 2016 is aan appellant meegedeeld dat de betaling van het teruggevorderde bedrag is verwerkt. Op die brief is – onder meer – ook melding gemaakt van appellants schuld uit lening.

1.7.

Tegen de schuld uit lening heeft appellant vervolgens bezwaar gemaakt. Hij heeft aangevoerd dat hij geen lening heeft aangevraagd, althans niet heeft bedoeld aan te vragen.

1.8.

Bij besluit van 21 oktober 2016 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is gesteld dat de brief van 1 juli 2016 geen besluit behelst met betrekking tot de lening, nu die in voorgaande besluiten al was vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de brief waartegen appellant bezwaar heeft gemaakt voor wat de betreft de schuld uit rentedragende lening niet een besluit behelst als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat de stelling van appellant dat hij nimmer een rentedragende lening heeft aangevraagd, althans dat hij niet heeft beseft dat er een studieschuld ontstond die niet om te zetten was in een gift, niet tot een ander oordeel leidt.

3. Appellant heeft – zakelijk weergegeven – in hoger beroep aangevoerd dat de minister uit het ingediende formulier, dat voor appellant verwarrend was, ten onrechte heeft afgeleid dat appellant naast de basisbeurs en OV-vergoeding (wat is aangekruist bij vraag 3.2 op dat formulier) een lening wenste. Hij heeft met het aankruisen van het vakje “maximaal” bij

vraag 3.4 (bedoeld voor het aanvragen van een rentedragende lening) bedoeld de maximale prestatiebeurs aan te vragen. Uit de beslissingen die hem vervolgens zijn toegezonden en waarop is vermeld dat appellant recht had op “studiefinanciering”, heeft hij afgeleid dat de toekenning conform het antwoord bij vraag 3.2 op dat formulier had plaatsgevonden.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Wat appellant in zijn hoger beroepschrift heeft aangevoerd vormt grotendeels, althans in essentie, een herhaling van hetgeen hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De Raad ziet geen reden om over de gronden anders te oordelen dan de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan en sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. Deze overwegingen dragen het oordeel van de rechtbank.

4.2.

Het betoog van appellant ter zitting dat hij uit de betaalde, naar zijn zeggen telkens wisselende, bedragen niet heeft kunnen en hoeven afleiden dat er meer dan alleen een prestatiebeurs werd toegekend, en dat hem dus niet het verwijt kan worden gemaakt dat hij eerder in actie had kunnen en moeten komen, leidt niet tot een ander oordeel. De beslissingen die appellant naar aanleiding van zijn aanvraag en voorafgaand aan de betalingen zijn toegezonden, zijn op het punt van de samenstelling van de toegekende en uit te betalen bedragen aan studiefinanciering en de daarmee in het leven geroepen rechtsgevolgen (voldoende) duidelijk. Dat appellant de op deze beslissingen voorkomende begrippen “studiefinanciering” en “prestatiebeurs” ten onrechte met elkaar heeft vereenzelvigd, is in dit verband een omstandigheid die voor zijn risico dient te blijven. Daarbij is van belang dat de wettelijke regeling (en de informatie die daarover in brochures wordt gegeven) op dit punt niets aan duidelijkheid te wensen overlaat.

4.3.

Gelet op wat is overwogen in 4.1 en 4.2 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.L. Alves

UM