Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1102

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
15/706 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:8606, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Geen aanleiding om de deskundige niet te volgen. Uitgaande van de juistheid van de aangepaste FML van 11 augustus 2017 zijn de in hoger beroep geselecteerde functies in medisch opzicht passend. Uwv veroordeeld in proceskosten beroep en hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 706 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 december 2014, 14/3990 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.T.A. Duijs hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Duijs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

De Raad heeft het onderzoek heropend en heeft verzekeringsarts L. Greveling-Fockens als deskundige benoemd.

De deskundige heeft op 20 juli 2017 een rapport uitgebracht waarop partijen hebben gereageerd.

Het Uwv heeft een gewijzigde beslissing op bezwaar van 1 september 2017 ingediend, waarop door opvolgend gemachtigde van appellant mr. M.J.H. Roebroek is gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als [naam functie]. Hij heeft zich op 13 januari 2012 ziek gemeld wegens klachten van het bewegingsapparaat.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant in zijn belastbaarheid beperkt is door het postlaminectomiesyndroom, gegeneraliseerde artrose, carpometacarpale I artrose en een verworven misvorming extremiteit. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige geoordeeld dat appellant ongeschikt is voor het eigen werk, maar geschikt is voor passende functies op grond waarvan het verlies aan verdiencapaciteit is vastgesteld op 0%. Bij besluit van 14 november 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 10 januari 2014 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering, omdat hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

1.3.

Bij besluit van 28 mei 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 november 2013 ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft appellant aangevoerd dat de vastgestelde belastbaarheid geen recht doet aan de beperkingen die hij ondervindt aan zijn rug, handen en het bewegingsapparaat. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verwezen naar informatie van zijn behandelaars, een eigen uiteenzetting over zijn beperkingen en mogelijkheden en naar een rapport van verzekeringsarts H.M.Th. Offermans van 17 november 2014.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het Uwv zijn medische belastbaarheid niet juist heeft beoordeeld. De rechtbank heeft onvoldoende waarde gehecht aan het rapport van Offermans van 17 november 2014, waaruit naar voren komt dat appellant in zijn belastbaarheid beperkt is voor werken met toetsenbord en muis en blootstelling aan koude. Appellant heeft onder verwijzing naar een nader rapport van Offermans van 21 april 2015 verder te kennen gegeven dat zijn belastbaarheid ook op andere aspecten door de artsen van het Uwv te licht is ingeschat.

3.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van Offermans van

21 april 2015 aanleiding gezien appellant aanvullend beperkt te achten voor het wringen/schroeven met grote kracht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op

22 september 2015 gerapporteerd dat de voor appellant geselecteerde functies, gelet op de daarin gevraagde typewerkzaamheden, bij eventueel gebruik van duimspalken en uitgaande van de gewijzigde FML van 17 september 2015, passend zijn voor appellant.

3.3.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 februari 2016 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

22 februari 2016 verder uiteengezet dat het nader toegezonden rapport van Offermans van

19 januari 2016 en de ingezonden informatie van orthopedisch chirurg F.B. Langius van

18 januari 2016 en 27 januari 2016 geen aanleiding geven een ander standpunt in te nemen.

3.4.

Op verzoek van de Raad heeft verzekeringsarts L. Greveling-Fockens een expertise verricht en op 20 juli 2017 daarvan rapport uitgebracht. Deze deskundige komt na dossieronderzoek, anamnese, een lichamelijk onderzoek en bestudering van de door haar opgevraagde informatie bij revalidatiearts N.D.M. Ringeling-van Leusen, tot de conclusie dat appellant ten opzichte van de FML van 17 september 2015 aanvullend beperkt te achten is ten aanzien van beoordelingspunt 4.10, buigen (licht beperkt) en beoordelingspunt 4.13, duwen en trekken (licht beperkt, met als toelichting: wanneer hierbij forse grijp-knijpkracht vereist is). De deskundige heeft Offermans niet gevolgd in zijn visie dat appellant beperkt is ten aanzien van koude en het werken met toetsenbord of muis. Daartoe heeft de deskundige overwogen dat blootstelling aan koude in combinatie met vochtige omstandigheden niet aan de orde is, omdat niet wetenschappelijk is onderbouwd dat dit de (klachten van) artrose doet toenemen. Wat betreft het werken met toetsenbord of muis heeft de deskundige toegelicht dat deze bewegingen niet erg belastend zijn en dat appellant deze bewegingen met of zonder brace kan verrichten. Alle handgrepen zijn bij appellant in principe mogelijk, met verminderde grijp- en knijpkracht. De deskundige heeft verder overwogen dat het bestaan van de door Offermans (na de datum in geding) geconstateerde triggervinger op de datum in geding niet wordt ondersteund door informatie van de behandelend sector.

3.5.

Naar aanleiding van het rapport van de deskundige heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, gedateerd 1 september 2017 (bestreden besluit 2). Bij dit besluit heeft het Uwv, op basis van een in lijn met het advies van de deskundige aangepaste FML van 8 augustus 2017 en een deels gewijzigde theoretische schatting, vastgesteld dat appellant met ingang van 10 januari 2014 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, gebaseerd op een verlies aan verdienvermogen van 39,85%.

3.6.

Appellant kan zich niet verenigen met het nader standpunt van het Uwv, omdat bij belastingaspect hand- en vingergebruik onvoldoende is meegewogen dat de beweging pijnlijk is en moeizaam gaat. Verder voorziet appellant problemen om op zijn werkplek te geraken, waarbij hij aanvoert dat autorijden slechts kort (ongeveer vijftien tot twintig minuten) mogelijk is vanwege het zitten, dat openbaar vervoer geen optie is en dat de bereikbaarheid van de op- en afstappen ook een probleem is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank een oordeel heeft gegeven over bestreden besluit 1, niet in stand kan blijven. De Raad zal zowel de aangevallen uitspraak als bestreden besluit 1 vernietigen.

4.2.

Nu het nieuwe besluit niet geheel tegemoet komt aan appellant, dient het nieuwe besluit met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht in de procedure betrokken te worden en wordt het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

4.3.

Het bestreden besluit 2 is gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 augustus 2017. Deze verzekeringsarts heeft, op basis van het oordeel van

de deskundige over de beperkingen van appellant, aanleiding gezien tot bijstelling van de FML. In de aangepaste FML van 11 augustus 2017 zijn beperkingen aangenomen op de door de deskundige aangegeven beoordelingspunten.

4.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er is geen aanleiding om de deskundige niet te volgen. Wat appellant in reactie op de conclusies van de deskundige heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de inhoud van het rapport. Overwogen wordt dat de deskundige op de hoogte was van de pijnklachten van appellant aan zijn vingers en dat zij beschreven heeft dat appellant in principe alle handgrepen kan verrichten met verminderde grijp- en knijpkracht. In reactie op de door appellant naar voren gebrachte problemen die kunnen optreden om op de werkplek te geraken, wordt overwogen dat appellant, indien nodig, een vervoersvoorziening kan aanvragen bij het Uwv.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de aangepaste FML van 11 augustus 2017 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij rapport van 17 augustus 2017 afdoende toegelicht dat de in hoger beroep geselecteerde functies, telefonist, receptionist (SBC-code 315120), baliemedewerker (SBC-code 315150) en administratief medewerker (SBC-code 315090), gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten voor appellant in medisch opzicht als passend zijn aan te merken. Op basis van deze functies bedraagt de mate van arbeidsongeschiktheid 39,85%.

4.6.

Gelet op overwegingen 4.3 tot en met 4.5 slaagt het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet.

5. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1.503,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Verder komen de door appellant gemaakte kosten voor de rapporten van Offermans van 17 november 2014, 21 april 2015 en

19 januari 2016 tot een bedrag van € 1.884,58 voor toewijzing in aanmerking. De gemaakte kosten voor een rapport van Offermans van 19 februari 2015 komt niet voor toewijzing in aanmerking omdat dit rapport niet in de procedure is ingebracht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 mei 2014;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 september 2017 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.389,58;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 168,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) N. Veenstra

OS