Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:11

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2018
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
16/4465 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen vanwege verzwegen gezamenlijke huishouding. Toepassen onweerlegbaar rechtsvermoeden. Voldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijk hoofdverblijf. Te houden aan afgelegde verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4465 PW, 16/4466 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

2 juni 2016, 16/616 en 17/731 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

Datum uitspraak: 2 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.F. Mandos, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 21 november 2017. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Mandos. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten zijn met elkaar gehuwd geweest en hebben samen een kind, [naam kind S] (S), geboren op [geboortedatum] 1998. S is verstandelijk gehandicapt. Appellanten hebben tijdens hun huwelijk twee woningen gekocht, de ene op het adres [adres 1] te [woonplaats]

(adres [adres 1] ), de andere op het adres [adres 2] te [woonplaats] (adres [adres 2] ). Bij beschikking van 28 juni 2012 heeft de rechtbank Den Haag de echtscheiding tussen appellanten uitgesproken. De door appellanten getroffen onderlinge regelingen, neergelegd in een echtscheidingsconvenant en een ouderschapsplan, zijn bij deze beschikking opgenomen. In het echtscheidingsconvenant staat onder meer dat alle schulden, waaronder de hypotheekschulden, op naam van appellant zullen komen te staan, dat het eigendom van de twee koopwoningen in zijn geheel zal worden toebedeeld aan appellant en dat appellant met appellante een huurovereenkomst zal sluiten voor de bewoning door appellante en S van de woning op het adres [adres 2] . Op 1 augustus 2012 is het echtscheidingsvonnis ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans basisregistratie personen).

1.2.

Appellante ontving vanaf 4 juli 2012, in aanvulling op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Tot 11 april 2013 woonde zij op het adres [adres 2] en vanaf die datum op het adres [adres 3] te [woonplaats] (adres [adres 3] ). Appellant heeft in de GBA van 29 februari 2012 tot 27 februari 2013 ingeschreven gestaan op het adres [adres 1] . Van 27 februari 2013 tot 11 april 2013 stond hij ingeschreven op het adres [adres 4] te [woonplaats] , van 11 april 2013 tot 3 maart 2014 op het adres [adres 2] , van 3 tot 19 maart 2014 op het adres [adres 3] en vanaf 19 maart 2014 weer op het adres [adres 2] .

1.3.

Naar aanleiding van een in januari 2013 via het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen ontvangen melding dat onder meer appellant nog steeds op het adres van appellante woont, heeft een medewerker van de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Den Haag (medewerker BO) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader heeft de medewerker BO samen met een collega op 25 maart 2013, om 7.30 uur, een huisbezoek afgelegd aan het adres [adres 2] . Uit de van dit huisbezoek opgemaakte rapportage komt naar voren dat appellant de deur opende, dat in de woning op dat adres medicijnen, administratie, kleding en verzorgingsproducten van appellant aanwezig waren, dat de zolder was afgesloten, dat de medewerkers BO vermoedden dat zich daar een hennepkwekerij bevond en om die reden de politie hebben gebeld en dat de politie even later een op de zolder aanwezige hennepkwekerij met 233 planten heeft ontruimd. Vervolgens hebben de medewerkers BO op 25 april 2013 een gesprek gevoerd met appellante en met appellant.

1.4.

Op 23 maart 2015 is bij de Afdeling Bijzonder Onderzoek een anonieme melding ontvangen dat appellant staat ingeschreven op het adres [adres 2] , maar permanent bij appellante woont. Naar aanleiding van deze melding heeft een medewerker BO een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker BO onder meer diverse systemen, waaronder Suwinet, geraadpleegd, gegevens over het water- en elektriciteitsverbruik op het adres [adres 3] opgevraagd, op 16 juni 2015 een huisbezoek afgelegd aan het adres [adres 3] en op 17 juni 2015 een gesprek gevoerd met appellante. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 juli 2015.

1.5.

Na een eerdere opschorting heeft het college bij besluit van 29 juni 2015 (besluit 1) de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 1 juni 2015 ingetrokken.

1.6.

In de resultaten van het onderzoek heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 3 juli 2015 (besluit 2) de bijstand van appellante over de periode van 4 juli 2012 tot en met 31 mei 2015 (periode in geding) te herzien (lees: in te trekken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 13.184,14. Bij besluit van 10 juli 2015 (besluit 3) heeft het college dit bedrag mede van appellant teruggevorderd. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 4 juli 2012 een gezamenlijke huishouding voert met appellant, dat haar vermogen per die datum boven de voor haar geldende vermogensgrens ligt en dat zij van 1 mei 2013 tot en met 31 mei 2015 inkomsten heeft ontvangen uit de verhuur van haar twee woningen. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door van dit alles geen melding te maken bij het college.

1.7.

Bij besluit van 29 juli 2015 (besluit 4) heeft het college het teruggevorderde bedrag gebruteerd en in verband daarmee verhoogd met € 6.894,- tot een bedrag van in totaal € 20.047,14. Bij besluit van 30 juli 2015 (besluit 5) heeft het college dit verhoogde terugvorderingsbedrag mede van appellant teruggevorderd.

1.8.

Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de besluiten 1 tot en met 5. De bezwaren richtten zich tegen de grondslag van de besluiten 2 en 3. Bij besluit van 21 december 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 tot en met 5 ongegrond verklaard.

2. Appellanten hebben ieder voor zich beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven en voor zover van belang, overwogen dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van het college dat appellant gedurende de periode in geding zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft gehad als appellante en appellanten dus een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De rechtbank heeft hierbij zwaarwegende betekenis gehecht aan de door appellante op 25 april 2013 en 17 juni 2015 afgelegde verklaringen. Voorts heeft de rechtbank betekenis toegekend aan de gegevens over het water- en energieverbruik op het adres [adres 3] en aan de bevindingen tijdens de huisbezoeken op 25 april 2013 en 16 juni 2015.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, komt erop neer dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor de na bezwaar gehandhaafde besluiten 2 en 3. Tegen de besluiten 1, 4 en 5 hebben appellanten geen zelfstandige gronden aangevoerd. De beroepsgronden richten zich in de eerste plaats tegen het standpunt van het college dat in de periode in geding sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding tussen appellanten.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht als de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Nu vaststaat dat uit de relatie van appellanten een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Meer in het bijzonder ligt hier de vraag voor of appellant zijn hoofdverblijf had in de woningen van appellante op de adressen

[adres 2] en [adres 3] .

4.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat de bevindingen van het in 2013 verrichte onderzoek geen rol kunnen spelen bij de besluitvorming, aangezien appellante destijds haar bijstandsuitkering heeft behouden, het college de resultaten van het onderzoek in 2013 onvoldoende achtte om een gezamenlijke huishouding aan te nemen, en dat appellante daarom niet aan de toen afgelegde verklaringen kan worden gehouden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Weliswaar heeft het college na de verkregen resultaten van het in 2013 verrichte onderzoek geen actie ondernomen, in de vorm van intrekking van de bijstand wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding, maar het college heeft op geen enkele wijze kenbaar gemaakt dat die onderzoeksresultaten daarvoor geen toereikende feitelijke grondslag zouden kunnen bieden. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien waarom het college de resultaten van het in 2013 verrichte onderzoek niet ten grondslag zou mogen leggen aan de na bezwaar gehandhaafde besluiten 2 en 3.

4.5.1.

Appellante heeft tijdens het gesprek op 25 april 2013 volgens het daarvan opgemaakte verslag onder meer het volgende verklaard:

“[Appellant] komt om mij te helpen met het aankleden van mijn zoon, hij komt dan zo rond half 8 en hij gaat ’s avonds op verschillende tijden weer weg. [...] [Appellant blijft] wel eens [...] slapen. [...] Mijn man heeft niet al zijn spullen weggehaald toen wij uit elkaar gingen. [...] Hij blijft gemiddeld 4 keer per week bij mij slapen, dat is zo sinds wij gescheiden zijn.”

Appellante heeft deze verklaring zonder voorbehoud per pagina ondertekend.

4.5.2.

Appellante heeft tijdens het gesprek op 17 juni 2015 volgens het daarvan opgemaakte verslag onder meer het volgende verklaard:

“Eigenlijk kan ik u vertellen dat [appellant] de meeste tijd gewoond heeft op het adres [adres 2] . Dat was voor ons kind. Dus voor de buitenkant lijkt het of we nooit uit elkaar zijn geweest. [Appellant] sliep eigenlijk gewoon op het adres [adres 2] en niet op het adres [adres 1] . Daar ging hij voornamelijk naar toe om de post op te halen en de huur te ontvangen want die woning werd onderverhuurd. [...] Ik kan u vertellen dat ik samen met mijn man en onze zoon altijd samengewoond hebben op het adres [adres 2] te [woonplaats] . Dat heb ik nooit doorgegeven aan de sociale dienst. [...] Ik kan u vertellen dat de woonsituatie op het adres [adres 3] hetzelfde is geweest als op het adres [adres 2] te [woonplaats] . Eigenlijk zijn we nooit uit elkaar geweest/ [appellant] heeft altijd zijn hoofdverblijf bij mij gehad. Dat was grotendeels voor onze zoon. Maar ik kan u vertellen dat we weer willen gaan samenwonen. Dit gaat binnenkort gebeuren. [...] Ik kan u vertellen dat we nu gaan samenwonen. Dat hebben we in [plaatsnaam] nog besproken. [...] Ondergetekende verklaart, na doorlezing, dat bovenstaande verklaring een juiste weergave is van wat zij heeft verklaard.”

Appellante heeft dit verslag zonder voorbehoud ondertekend.

4.5.3.

Zoals de rechtbank terecht, onder verwijzing naar vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2497), heeft overwogen, mag een betrokkene in het algemeen aan een tegenover een handhavingsspecialist afgelegde en zonder voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden.

4.6.

Appellanten hebben aangevoerd dat om de volgende redenen de door appellante op 25 april 2013 en 17 juni 2015 afgelegde verklaringen niet juist kunnen zijn. Appellant heeft een relatie gehad met een vrouw bij wie hij in 2012 en 2013 met grote regelmaat verbleef. Bij deze vrouw heeft hij een kind verwekt. Vervolgens heeft appellant een relatie gekregen met een andere vrouw met wie hij geregeld in Pakistan heeft verbleven. Ter zitting van de Raad hebben appellanten nog gewezen op en geciteerd uit een rapportage van Bureau Jeugdzorg [regio] aangaande S.

4.7.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De omstandigheid dat appellant in 2012 en 2013 met grote regelmaat verbleef bij een vrouw en in de periode daarna veelvuldig in Pakistan verbleef, doet op zichzelf geen afbreuk aan de door appellante afgelegde verklaringen, omdat die omstandigheid niet uitwijst dat appellant zijn hoofdverblijf in de periode in geding op andere adressen heeft gehad dan de adressen [adres 2] en [adres 3] . De ter zitting van de Raad geciteerde passages uit de onder 4.6 genoemde rapportage, welke rapportage is opgesteld op basis van gesprekken met onder meer appellanten en de school van S, bieden evenmin aanknopingspunten voor de stelling van appellanten dat, anders dan uit de verklaringen van appellante naar voren komt, appellant in de periode in geding geen hoofdverblijf heeft gehad op de hiervoor genoemde adressen. Appellanten hebben ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat en waarom een uitzondering zou moeten worden gemaakt op het onder 4.5.3 geformuleerde uitgangspunt. De stelling dat de door appellante op 17 juni 2015 afgelegde en onder 4.5.2 geciteerde verklaring niet anders kan worden gezien dan “als grootspraak in de emotie van verliefdheid en verzoening die zich korte tijd voor het verhoor hebben ingezet”, is daarvoor in ieder geval ontoereikend.

4.8.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van het college dat appellant gedurende de periode in geding zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft gehad als appellante en dat appellanten dus een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Ook de Raad kent hierbij zwaarwegende betekenis toe aan de verklaringen die appellante op 25 april 2013 en 17 juni 2015 heeft afgelegd. Deze verklaringen vinden in de eerste plaats steun in de bevindingen van het op

25 maart 2013 verrichte huisbezoek, bij welke gelegenheid appellant zelf en ook persoonlijke spullen van hem op het adres [adres 2] zijn aangetroffen. Verder vinden de verklaringen steun in de beschikbare gegevens over het water- en elektriciteitsverbruik op het adres [adres 3] , aangezien deze gegevens uitwijzen dat dit verbruik in (een deel van) de periode in geding ruimschoots hoger was dan het gemiddeld verbruik van een tweepersoonshuishouden. Appellanten hebben aangevoerd dat aan de verbruiksgegevens geen betekenis toekomt, aangezien het waterverbruik van appellanten en hun zoon voorafgaande aan de scheiding hoger was dan in de periode daarna en dat het elektriciteitsverbruik zo atypisch is dat ervan moet worden uitgegaan dat er iets verkeerd moet zijn gegaan bij de meting of dat excessief stroom is gebruikt, wat onlogisch is. Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat er ook zij van de stellingen van appellanten over het water- en elektriciteitsverbruik, de gegevens over dat verbruik bieden in ieder geval steun aan de verklaringen van appellante die uitwijzen dat appellanten gedurende de gehele periode in geding hun hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning, eerst op het adres [adres 2] en vervolgens op het adres [adres 3] .

4.9.

Nu vaststaat dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de zin van de PW, kon appellante om die reden niet worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand, zodat zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden, die zijn gericht tegen het standpunt van het college dat appellante, kort gezegd, oververmogen had in de vorm van in twee woningen gebonden vermogen en huurinkomsten heeft genoten, geen bespreking meer.

4.10.

Uit 4.4 tot en met 4.9 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.L. Boxum en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2018.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Tuit

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD