Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1099

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
16/5459 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms. Psychische belastbaarheid niet onderschat. Geschikt voor de resterende geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/196 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5459 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

19 juli 2016, 15/6512 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om schadevergoeding.

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 12 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.A. Dennissen-Wit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Mr. P.J.W. Kooiman, advocaat en kantoorgenoot van mr. Denissen-Wit, heeft aanvullende stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en aanvullende stukken ingezonden.

Het Uwv heeft naar aanleiding van vragen van de Raad een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met bijlagen ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kooiman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als [naam functie] toen hij in 2005 wegens rug- en heupklachten uitviel. Met ingang van 23 april 2007 is hij in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De WIA-uitkering is met ingang van 23 april 2009 beëindigd, op de grond dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2.

Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid is appellant met ingang van

18 mei 2009 in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Door de uitspraak van de Raad van
4 mei 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW5325) staat die uitkeringssituatie in rechte vast.

1.3.

Op 24 februari 2015 heeft appellant zich opnieuw toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is opgesteld van 22 mei 2015, en na een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 7 juli 2015 vastgesteld dat appellant onveranderd ingedeeld blijft in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% en dat zijn vervolguitkering niet wijzigt. Bij beslissing op bezwaar van 21 september 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 7 juli 2015 ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt een rapport ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 september 2015 en een aanvullend rapport van de arbeidsdeskundige van 18 september 2015.

1.4.

Bij besluit van 9 december 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 27 september 2016 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en hij met ingang van 1 december 2016 in aanmerking wordt gebracht voor een loonaanvullingsuitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en zijn verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de klachten van appellant, evenals de ingezonden medische informatie van anesthesioloog I. de Man, de second opinion van Best Doctors, de informatie van orthopeed J. Michielsen en van GZ-psycholoog M. Albers op een deugdelijke en kenbare wijze zijn betrokken bij de medische beoordeling. Volgens de rechtbank hebben de verzekeringsartsen toereikend gemotiveerd waarom de ingezonden informatie niet tot andere conclusies heeft geleid en de vastgestelde beperkingen goed passen binnen de conclusies van Best Doctors. In de opmerking van orthopeed Michielsen in de brief van 20 mei 2016, dat appellant niet in aanmerking komt voor de opgegeven beroepsklasse, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen. De informatie van GZ-psycholoog Albers heeft de rechtbank buiten beschouwing gelaten omdat deze te laat naar voren was gebracht. Volgens de rechtbank hebben de artsen van het Uwv voorts toereikend gemotiveerd dat er geen noodzaak was voor een urenbeperking. De rechtbank heeft geoordeeld dat de medische belastbaarheid van appellant door het Uwv overtuigend is gemotiveerd en dat appellant geacht moet worden arbeid te kunnen verrichten in overeenstemming met de FML van 22 mei 2015. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank toereikend gemotiveerd dat de belasting van de voor appellant geselecteerde functies (minus de functie van besteller post/pakketten) de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn beroepsgronden herhaald en opnieuw betoogd dat uit de informatie van Best Doctors en orthopeed Michielsen blijkt dat er meer beperkingen voor hem gelden en hij de geselecteerde functies niet kan vervullen. Appellant heeft bepleit dat hem een IVA-uitkering toekomt en in ieder geval een WIA-uitkering op basis van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft nadere gegevens ingezonden, waaronder een rapport van psycholoog B. Klomp van 27 september 2016, waaruit blijkt dat bij appellant de diagnose stoornis van Asperger is vastgesteld en sprake is van woede-uitbarstingen. Kairos Nijmegen heeft deze, zo blijkt uit de brief van 26 januari 2017, gediagnosticeerd als een periodieke explosieve stoornis. Verder heeft appellant nog gewezen op een medisch advies WMO van 6 september 2017, waarbij is geadviseerd appellant in aanmerking te brengen voor hulp bij het huishouden. Nu de rechtbank geen deskundige heeft ingeschakeld, heeft appellant met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) bepleit dat de Raad alsnog een deskundige inschakelt.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in hoger beroep in een gewijzigde FML van 5 februari 2018, met geldigheid vanaf 24 februari 2015, een beperking op het aspect 5.11 (afwisseling in zitten en staan moet mogelijk zijn met mogelijkheid tot verzitten resp. vertreden) toegevoegd. De door appellant in hoger beroep ingezonden gegevens waren voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om verdergaande of andere beperkingen in de FML op te nemen. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van de wijziging in de FML vastgesteld dat de geselecteerde functie van graafmachinebestuurder, laadschopbestuurder niet langer als passend kan worden aangemerkt. Gelet op het verdienvermogen in de resterende functies leidt dit niet tot wijziging van de arbeidsongeschiktheidsklasse van

45 tot 55%.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het standpunt van appellant dat hij recht heeft op een IVA-uitkering wordt niet gevolgd. In de gegevens die betrekking hebben op de beoordeling in mei 2015 door het Uwv naar aanleiding van het verzoek van appellant van 24 februari 2015 zijn geen aanknopingspunten gelegen om een situatie van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid aan te nemen als bedoeld in artikel 4 van de Wet WIA. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt afdoende dat appellant voor arbeid belastbaar is. In het rapport van Best Doctors worden aan appellant behandeladviezen gegeven met verwachtingen van verbetering. Ook orthopeed Michielsen heeft in een brief van 20 mei 2016 vermeld welke taken appellant zou kunnen doen.

4.2.

Gelet op de in hoger beroep ingezonden stukken baseert het Uwv de geschiktheid van appellant in 2015 voor de resterende geselecteerde functies op de FML van 5 februari 2018. Appellant heeft zich op het standpunt geteld dat hij tegenover het Uwv in een ongelijke positie verkeert, omdat hij niet in staat is op gelijke voet een medische beoordeling over zijn belastbaarheid te geven, zodat het inschakelen van een deskundige is aangewezen.

4.2.1.

In de in 3.1 genoemde uitspraak van 30 juni 2017 heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. Daarbij is overwogen dat de kern van het beginsel van equality of arms erin is gelegen dat slechts als er evenwicht bestaat tussen partijen met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen, de bestuursrechter in staat is een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. In verband met de twijfel aan de onpartijdigheid van de verzekeringsartsen van het Uwv bij de vaststelling van de voor de betrokkene in aanmerking te nemen beperkingen, moet de rechter de vraag beantwoorden of de betrokkene voldoende ruimte heeft gehad tot betwisting van de medische bevindingen van de verzekeringsartsen, bijvoorbeeld door zelf medische stukken in te dienen. Indien op grond van het geheel aan gegevens wordt vastgesteld dat geen equality of arms tussen het Uwv en de betrokkene bestaat, zal de bestuursrechter moeten waarborgen dat dit evenwicht wordt hersteld.

4.2.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt de betrokkene in de procedure bij de bestuursrechter alle gelegenheid geboden zich – desgewenst onderbouwd met medische gegevens – te verzetten tegen het medisch oordeel van de tegenpartij. Met name in beroep en in hoger beroep heeft appellant ter ondersteuning van zijn standpunt brieven van behandelaars ingezonden waarin een groot aantal onderzoeksbevindingen is opgenomen, waaronder die van de behandelend orthopedisch chirurg, psychologen, psychiater en psychotherapeut, en heeft hij een beoordelend expertiseverslag van Best Doctors ingezonden. In die gegevens zijn de klachten, aandoeningen, adviezen en gevolgen voor de belasting van appellant tot uitdrukking gebracht.

4.2.3.

Uit wat is overwogen in 4.2.2 blijkt dat appellant in de procedure voldoende ruimte heeft gehad om medische stukken in te dienen ter onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn medische situatie heeft onderschat en dat hij die ruimte ook heeft benut. Niet kan worden gezegd dat de door appellant ingebrachte stukken van de behandelaars en het ingebrachte expertiserapport van Best Doctors naar hun aard niet geschikt zijn om twijfel te zaaien aan de in de rapporten van de verzekeringsartsen beantwoorde vraag of de medische klachten en aandoeningen van appellant tot afdoende beperkingen in de FML hebben geleid. Dit heeft tot gevolg dat geen sprake is van schending van het beginsel van equality of arms en dat op die grond geen aanleiding bestaat een deskundige in te schakelen.

4.3.

Er is geen aanleiding te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de psychische belastbaarheid van appellant ten tijde hier van belang heeft onderschat. Uit het medisch onderzoek van de verzekeringsarts van 22 mei 2015 blijkt dat appellant vooral melding heeft gemaakt van klachten in de onderrug, arm en nek en van pijnklachten. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 februari 2018 met juistheid heeft overwogen, is in het verleden wel gesproken over psychische klachten, maar is in 2010 geen psychische stoornis vastgesteld en worden ook in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 september 2015 geen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van evidente psychopathologie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan eveneens worden gevolgd in zijn reactie van 4 januari 2018 op de informatie dat aanwijzingen bestaan voor de diagnose ASS en op de informatie van Kairos. Uit die informatie blijkt niet, evenmin als uit eerdere rapporten van verzekeringsartsen, van belemmeringen op sociaal gebied of dat eerder
woede-aanvallen ten tijde hier van belang zijn gemeld.

4.4.

Over de fysieke gezondheidsaspecten heeft appellant ter zitting meegedeeld zich te kunnen vinden in de bevindingen, zoals weergegeven in het rapport van Best Doctors. In dat rapport is vermeld dat een zenuwwortelcompressie is vastgesteld en dat sprake is van een combinatie van mechanische pijn en secundair spier- en zenuwpijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 26 november 2015 de bevindingen van Best Doctors uitvoerig besproken en afdoende gemotiveerd dat die bevindingen passen bij de ook door die verzekeringsarts voor het vaststellen van beperkingen als uitgangspunt genomen informatie van de anesthesioloog.

4.5.

Appellant heeft zich met zijn beroep op de brief van orthopeed Michielsen van

20 mei 2016 op het standpunt gesteld dat zijn arbeidsmogelijkheden zijn overschat. Michielsen heeft in die brief als reactie op de aan hem gezonden functieomschrijvingen vermeld: “… een uitgesproken klacht in de onderrug die verklaard wordt door een discopathie L5-S1 met neuroforaminele obliteratie en cervicobrachialgie. Hierdoor is de belastbaarheid van de werkvelkolom beperkt en meen ik dat patiënt niet in aanmerking komt voor de opgegeven beroepsklasse. Een taak waarbij de patiënt vaak van houding kan veranderen en waarbij de totale belasting tot een minimum herleid wordt lijkt me wel haalbaar.” De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, gelet op de vermelde aandoening, in de reactie van 30 juni 2016 terecht erop gewezen dat de beperkte belastbaarheid van de rug reeds uitvoerig in de eerdere rapporten was beschreven en dat forse beperkingen zijn toegekend. De vermelde gegevens zijn voorts in lijn met de beoordeling door Best Doctors. Het advies van orthopeed Michielsen over het veranderen van houding heeft tot wijziging van de FML geleid. Uit de hier weergegeven medische bevindingen kan niet de conclusie worden getrokken dat het Uwv de fysieke belastbaarheid van appellant heeft overschat. Weliswaar heeft orthopeed Michielsen gemeend dat appellant niet voor de opgegeven beroepsklasse in aanmerking komt, maar in de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

22 januari 2018 en 23 februari 2018 is afdoende gemotiveerd dat de belastende factoren van de geselecteerde functies (behalve de functie van graafmachinebestuurder, laadschopbestuurder) de belastbaarheid van appellant niet te boven gaan. Nu moet worden geconcludeerd dat de beperkingen, zoals deze vermeld zijn in de FML van 5 februari 2018, in lijn zijn met de medische bevindingen van de behandelende en ingeschakelde beoordelend artsen, is in die medische gegevens ook geen aanleiding gelegen om een deskundige in te schakelen.

4.6.

Gelet op wat in 4.3 tot en met 4.5 is overwogen wordt appellant niet gevolgd in het standpunt dat hij niet in staat is de resterende functies te vervullen. Dat appellant vanaf

27 september 2016 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien die wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit het toen ingezette, intensieve, behandeltraject. Ook het Medisch advies van 6 september 2017 dat is opgesteld op grond van de WMO, leidt niet tot een ander oordeel. Het advies is ruim twee jaar na de beoordelingsdatum in dit geding opgemaakt in een ander beoordelingskader en er is geen aanleiding ervan uit te gaan dat de gegevens van dat onderzoek betekenis hebben voor deze procedure.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. Aangezien de medische grondslag van het bestreden besluit eerst in hoger beroep afdoende is gemotiveerd, en aannemelijk is dat appellant daardoor niet is benadeeld, zal met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Met deze uitkomst is voor toewijzing van de door appellant gevraagde schadevergoeding geen grond.

5. Er is aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op

€ 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand en op

€ 29,60 wegens reiskosten in hoger beroep, in totaal € 2.033,60.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.033,60;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2018.

(getekend) M. Greebe

(getekend) L.H.J. van Haarlem

SS