Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1088

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
17/5073 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5053, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen belang bij beoordeling opschortingsbesluit nu intrekkingsbesluit in rechte vaststaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5073 PW

Datum uitspraak: 10 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2017, 17/82 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2017. Namens appellante is mr. De Witte verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Keyser.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 10 oktober 2016 (opschortingsbesluit) heeft het college de bijstand van appellante ingevolge de Participatiewet vanaf diezelfde datum opgeschort. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet is verschenen op 4 oktober 2016 voor een onderzoek naar de juistheid van haar uitkering. Met het opschortingsbesluit heeft het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 12 oktober 2016.

1.2.

Bij brief van 18 oktober 2016, door het college ontvangen op 20 oktober 2016, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het opschortingsbesluit.

1.3.

Bij besluit van 19 oktober 2016 (intrekkingsbesluit) heeft het college de bijstand van appellante vanaf 10 oktober 2016 ingetrokken. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen omdat appellante geen gehoor heeft gegeven aan de oproepen om op 10 oktober 2016 en 12 oktober 2016 te verschijnen voor een gesprek over haar bijstand.

1.4.

Mr. De Witte heeft zich op 12 december 2016 als gemachtigde voor appellante gesteld en bij aanvullend bezwaarschrift van 22 december 2016 heeft hij meegedeeld dat het bezwaar van appellante mede is gericht tegen het intrekkingsbesluit.

1.5.

Bij besluit van 27 december 2016 (bestreden besluit) heeft het college appellante

niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen het opschortingsbesluit. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar tegen het opschortingsbesluit omdat het intrekkingsbesluit onherroepelijk is geworden, doordat zij daartegen geen bezwaar heeft ingediend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar bezwaarschrift van 18 oktober 2016 tegen het opschortingsbesluit mede is gericht tegen het intrekkingsbesluit, omdat beide besluiten voor haar het gevolg hadden dat haar bijstand niet meer werd uitbetaald. Het bezwaar dat zij heeft tegen het opschortingsbesluit heeft zij eveneens tegen het intrekkingsbesluit.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het bezwaarschrift van appellante dateert van voor de datum van het intrekkingsbesluit. Daarbij komt dat uit de inhoud en de bewoordingen van het bezwaarschrift niet blijkt dat appellante met het bezwaarschrift tevens heeft beoogd bezwaar te maken tegen een intrekkingsbesluit.

4.3.

Voor zover appellante bij aanvullend bezwaarschrift van 22 december 2016 heeft bedoeld bezwaar te maken tegen het intrekkingsbesluit is dat bezwaar, zoals niet in geschil is, niet tijdig ingediend.

4.4.

Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij wel degelijk een belang heeft bij de beoordeling van het bezwaar tegen het opschortingsbesluit, omdat bij een gegrond bezwaar de intrekking komt te vervallen.

4.5.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3179) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het standpunt van appellante dat bij een vernietiging van het opschortingsbesluit de grondslag aan het intrekkingsbesluit komt te ontvallen is niet onjuist, doch dat zou haar niet baten. Het intrekkingsbesluit is immers in rechte komen vast te staan, doordat appellante daartegen niet tijdig bezwaar heeft ingediend. Met een beoordeling van het opschortingsbesluit zou appellante dus niet het resultaat kunnen bereiken dat zij met de indiening van het bezwaarschrift nastreefde.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2018.

(getekend) F. Hoogendijk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

sg