Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1087

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
17/4266 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet meewerken aan psychodiagnostisch onderzoek als aangeboden voorziening in zin van artikel 9 lid 1b. Grond dat het appellant niet verwijtbaar is, slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4266 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 mei 2017, 16/3827 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Oss (college)

Datum uitspraak: 10 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Driessen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.A.J. Lejeune.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft bij besluit van 27 februari 2013 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 4 maart 2013 deel moest nemen aan het traject “Jij aan zet”. Omdat appellante hier niet aan mee werkte heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 27 maart 2013 beëindigd. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld.

1.2.

Tijdens de behandeling van het hoger beroep ter zitting van de Raad op 4 december 2015 zijn partijen overeengekomen dat tot juli 2016 de medische/psychologische behandeling van appellante zou worden voortgezet en het college zou afzien van het opleggen van maatregelen. Verder zijn zij – voor zover hier van belang – overeengekomen dat het college in juni 2016 appellante zou laten onderzoeken door een medisch adviseur en aan de hand van de uitkomst van dat onderzoek zou bezien of, en zo ja welk vervolgtraject gekozen zou worden ten behoeve van de re-integratie van appellante.

1.3.

Bij besluit van 8 juli 2016 heeft het college appellante de verplichting opgelegd om mee te werken aan een psychologisch onderzoek op 10 augustus 2016 ten behoeve van de vaststelling van de re-integratiemogelijkheden van appellante.

1.4.

Bij besluit van 15 december 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het college niet onzorgvuldig te werk is gegaan bij de oproeping van appellante voor het onderzoek op 10 augustus 2016. Voor zover appellante meende dat zij een psychodiagnostisch onderzoek niet aan zou kunnen, had het meer in de rede gelegen om daarover contact op te nemen met haar klantmanager dan om zonder medische onderbouwing bezwaar in te stellen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW is bepaald dat de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2.

Niet in geschil is dat het psychodiagnostisch onderzoek van 10 augustus 2016 een op arbeidsinschakeling gerichte voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW was. Evenmin is in geschil dat het college deze voorziening in de vorm van een oproep voor dat onderzoek aan appellante heeft aangeboden en dat appellante heeft geweigerd van dit aanbod gebruik te maken. Hiermee is gegeven dat appellante niet heeft voldaan aan de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW neergelegde verplichting.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van het niet nakomen van de in 4.2 bedoelde verplichting. Zij heeft aangegeven mee te willen werken aan een medisch of psychologisch onderzoek, maar dan wel onder de alleszins redelijke voorwaarde dat dit medisch verantwoord moet zijn. Zij kan een psychologisch onderzoek medisch niet aan en bovendien kwam het voor haar te plotseling. De onderzoekend psycholoog had contact moeten opnemen met de behandelend psycholoog, wat door toedoen van het college niet is gebeurd.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college is de tussen partijen gemaakte, in 1.2 weergegeven, afspraken op zorgvuldige wijze nagekomen door appellante eerst voor 10 augustus 2016 op te roepen voor een psychologisch onderzoek. Daarbij is het college appellante zo veel mogelijk tegemoet gekomen in haar wensen met betrekking tot de plaats en tijd van het onderzoek. Appellante heeft haar stelling dat zij niet in staat was om mee te werken aan een psychologisch onderzoek, dan wel slechts onder bepaalde voorwaarden, niet met enig objectief gegeven, noch met enig ander stuk, onderbouwd. Appellante heeft volstaan met de mededeling dat het college met haar behandelend psycholoog, S. Serceglu, contact kon opnemen. De psycholoog die met het onderzoek was belast, K. Boosten, heeft, anders dan appellante meent, informatie opgevraagd bij de behandelend psycholoog van appellante. Zij heeft uit die informatie geconcludeerd dat geen belemmeringen aanwezig waren voor medewerking door appellante aan het door het college beoogde onderzoek. Evenmin heeft zij daaruit geconcludeerd dat appellante alleen onder bepaalde omstandigheden aan dat onderzoek zou kunnen meewerken. Daarvan is ook anderszins niet gebleken.

4.5.

Gelet op het voorgaande heeft het college appellante terecht verplicht om op 10 augustus 2016 mee te werken aan het psychodiagnostisch onderzoek. Anders dan appellante heeft aangevoerd, kwam die verplichting voor haar niet onverwacht, gelet op de reeds op

4 december 2015 gemaakte afspraken. Voorts is appellante, gelet op de tijdspanne tussen de oproep voor het onderzoek en de datum van het onderzoek, voldoende tijd gegund om zich op de uitvoering van die afspraak te kunnen voorbereiden.

4.6.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2018.

(getekend) F. Hoogendijk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

sg