Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
17/2118 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gronden van beroep. Ten onrechte oordeel rechtbank dat appellant geen gronden heeft ingediend. Appellant kon in dit geval verwijzen naar gronden in bezwaar. Voldoende duidelijkheid over de punten die partijen verdeeld houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2118 PW

Datum uitspraak: 10 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

27 januari 2017, 16/2890 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Zahi, destijds advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 10 oktober 2017. Partijen zijn, waarvan het college met bericht, niet verschenen.

Het onderzoek is na de zitting heropend. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde in geding een uitkering ingevolge de Ziektewet. Op

9 november 2015 heeft appellant, voor zover hier van belang, bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet aangevraagd voor de kosten van de eerste huur van € 467,98 en administratiekosten van € 30,- in verband met een aan hem toegewezen woning. In het kader van deze aanvraag heeft appellant meegedeeld dat hij sinds februari 2015 een zwervend bestaan heeft geleid, geen eigen woning had en dat hij van de woningbouwvereniging met ingang van 10 november 2015 een woning toegewezen heeft gekregen.

1.2.

Bij besluit van 12 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

18 oktober 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de kosten van de eerste huur en administratiekosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Appellant had voor deze kosten moeten reserveren dan wel deze achteraf gespreid moeten betalen. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan tot verlening van bijzondere bijstand moet worden overgegaan zijn niet aanwezig.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant naar het oordeel van de rechtbank niet heeft voldaan aan de in artikel 6:5 van de Awb gestelde voorwaarde dat het (aanvullend) beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Awb dient een beroepschrift ten minste de gronden van het beroep te bevatten.

4.2.

De rechtbank kan niet worden gevolgd in haar oordeel dat het namens appellant ingediende beroepschrift niet voldeed aan het vereiste dat wordt gesteld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Awb voor het in behandeling nemen van het beroep. Daartoe wordt overwogen dat appellant in zijn beroepschrift van 29 november 2016 heeft vermeld dat hij blijft bij zijn standpunt zoals weergegeven in zijn bezwaarschrift en dat hij de argumenten van het college onvoldoende acht. Appellant kon in het onderhavige geval volstaan met een verwijzing naar de door hem in de bezwaarfase ingediende gronden aangezien het college bij het bestreden besluit zijn besluit van 12 november 2015 heeft gehandhaafd, zonder de aan dat besluit ten grondslag gelegde motivering te hebben gewijzigd, waardoor in het onderhavige geval voldoende duidelijkheid bestond over de punten die partijen verdeeld hielden met betrekking tot het bestreden besluit.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat appellant bij het indienen van het beroepschrift niet in verzuim was, zodat de rechtbank ten onrechte het beroep van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

4.4.

Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Omdat partijen, na aankondiging van de Raad dat de zaak ter zitting mogelijk ook inhoudelijk zal worden besproken, niet zijn verschenen kan de Raad het geschil niet finaal beslechten. De Raad zal de zaak daarom terugwijzen naar de rechtbank Overijssel.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 501,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag

van € 501,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2018.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) S.A. de Graaff

HD