Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1085

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
16/6748 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag dak- en thuisloze. Onzorgvuldig onderzoek. Herroepen en bepalen dat bijstand wordt verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6748 PW, 17/1173 PW

Datum uitspraak: 10 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam

van 23 december 2016, 16/332 (aangevallen uitspraak 1), en van 1 september 2016,

16/2990 (aangevallen uitspraak 2), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroepen ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 6 februari 2018. Namens appellant is verschenen mr. Kramer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. van Golberdinge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft tot 1 augustus 2015 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Op 27 augustus 2015 heeft appellant zich gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Participatiewet (PW), waarna hij op 4 september 2015 een aanvraag heeft ingediend. Daarbij heeft appellant meegedeeld dat hij dakloos is en in een berging aan de [adres 1] (berging) slaapt. Op het formulier “Inlichtingen en opgave verblijfslocatie(s) dak- en thuisloze” van 8 september 2015 heeft appellant vermeld dat hij daar in de avond om 23.00 uur aankomt en dat hij in de ochtend om 08.30 uur vertrekt. De berging bevindt zich in een appartementencomplex. De ex-echtgenote van appellant bewoont een appartement in dit complex.

1.2.

De afdeling Controle van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) heeft een onderzoek ingesteld naar de woon- en verblijfsituatie van appellant. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 september 2015. Hierin is vermeld dat twee handhavingsspecialisten van de DWI (handhavingsspecialisten) op

22 september 2015 de locatie hebben bezocht en hebben waargenomen dat appellant elders

uit het appartementencomplex naar de berging is gegaan.

1.3.

Bij besluit van 8 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 december 2015 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming, voor zover van belang, heeft het college ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellant niet verblijft op de door hem opgegeven locatie. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Op 12 oktober 2015 heeft appellant wederom een aanvraag voor bijstand voor een

dak- en thuisloze ingediend. Daarbij heeft hij meegedeeld dat hij in een box/berging aan

de [adres 2] verblijft. Op het formulier “Opgave verblijfslocatie(s) dak- en thuisloze” van 24 december 2015 heeft appellant vermeld dat hij zeven nachten per week op deze locatie verblijft, dat hij daar in de nacht om 02.00 uur aankomt en dat hij in de ochtend om 07.30 uur vertrekt. Hangende de aanvraag heeft het college aan appellant een voorschot toegekend van € 550,- in de vorm van een renteloze geldlening.

1.5.

De DWI heeft wederom een onderzoek ingesteld naar de woon- en verblijfsituatie van appellant, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 26 januari 2016. Hierin is vermeld dat twee handhavingsspecialisten op verschillende dagen in januari 2016 de onder 1.4 vermelde locatie acht keer hebben bezocht, maar appellant daar zes keer niet hebben aangetroffen.

1.6.

Bij besluit van 26 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 maart 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet verblijft op de door hem opgegeven locatie Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.7.

Bij besluit van 16 maart 2016 heeft het college, naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag, aan appellant met ingang van 29 januari 2016 bijstand toegekend naar de norm van een alleenstaande, waarop een verlaging van 20% van het netto minimumloon wordt toegepast omdat appellant geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat hij geen onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn verblijf in de door hem opgegeven locaties. Appellant heeft gesteld dat aan de juistheid van het onder 1.2 vermelde rapport, in bijzonder de daarin beschreven waarnemingen, moet worden getwijfeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 27 augustus 2015 (datum melding) tot en met

8 oktober 2015 (datum afwijzing bijstand).

4.2.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken

die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen, onder meer over zijn woon- en verblijfplaats. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:15) kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Uit het onder 1.2 vermelde rapport blijkt dat twee handhavingsspecialisten op dinsdag

22 september 2015 om 06.40 uur een bezoek hebben gebracht aan de opgegeven locatie [adres 1]. De mannelijke handhavingsspecialist (B) stond aan de voorzijde

van het appartementencomplex. Aan de voorzijde bevinden zich drie deuren; de linker- en rechterdeur geven toegang tot de bergingen en de middelste deur betreft de centrale toegangsdeur. B stond bij de centrale toegangsdeur waar hij zicht had op het trapportaal. De vrouwelijke handhavingsspecialist (M) stond aan de achterzijde van het appartementencomplex waar zij door een groot raam zicht had op de kelderboxruimte, de deur tussen de boxruimte en het trapportaal (tussendeur) en het trapportaal. Nadat B voor de vijfde keer had geprobeerd appellant telefonisch te bereiken, heeft hij zijn positie aan de voorzijde verlaten om zich naar zijn collega M aan de achterzijde te begeven. M deelde hem toen mee dat zij zojuist had waargenomen dat een persoon, gekleed in een lichte broek en donkere bovenkleding, in grote haast van een van de bovenverdiepingen via het trapportaal de boxruimte was ingegaan. Dit was gebeurd net nadat B bij de centrale toegangsdeur was weggelopen. De handhavingsspecialisten zijn teruggegaan naar de voorzijde van het appartementencomplex en daar zagen zij dat een persoon gekleed in een lichte broek en donkere kleding van binnenuit de rechterdeur opende. Deze persoon maakte zich bekend als appellant. Vervolgens hebben de handhavingsspecialisten samen met appellant de berging bezocht, waar appellant desgevraagd heeft verklaard dat hij in de berging heeft geslapen. Appellant heeft daarbij gewezen op de uitgespreide dekens/slaapzak die op de grond lagen.

In bestreden besluit 1 is vermeld dat de tussendeur, voorzien van draadglas, tijdens het locatiebezoek geopend was waardoor de handhavingsspecialisten elkaar konden zien.

In beroep hebben de handhavingsspecialisten aan de hand van een aanvullende fotoreportage en een plattegrond van de locatie verklaard dat er zicht is op de centrale hal met trapportaal vanuit de positie van M. Dit ongeacht of de tussendeur naar de kelderboxruimte gesloten of geopend is, aangezien door het glas heen ook kan worden waargenomen.

4.4.

De hiervoor onder 4.3 vermelde bevindingen zijn ontoereikend voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode niet in de berging verbleef. Daarbij heeft de Raad in acht genomen dat de fotoreportage, in het bijzonder foto’s 6 en 8 die vanuit de positie van M zijn genomen, onvoldoende duidelijkheid bieden of M heeft kunnen waarnemen dat een persoon vanaf de bovengelegen verdieping is gekomen. M had geen zicht op de trap en verder is het onduidelijk gebleven of de tussendeur met draadglas tijdens de waarneming geopend of gesloten was. Niet uitgesloten is dat appellant, zoals hij bij de rechtbank heeft verklaard, naar buiten was gelopen omdat hij een huisbezoek verwachtte. Bovendien heeft het onderzoek plaatsgevonden voor zonsopgang. Ook heeft de Raad in aanmerking genomen dat de handhavingsspecialisten de slaapplek van appellant niet nader hebben onderzocht, bijvoorbeeld door te voelen of de dekens en slaapzak warm waren. Tenslotte heeft de Raad

in aanmerking genomen dat het college zich heeft gebaseerd op slechts één locatiebezoek. Gelet op het vorenstaande had het op de weg van het college gelegen om, alvorens tot afwijzing van de bijstand te besluiten, tenminste nogmaals een locatiebezoek af te leggen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat bestreden besluit 1 niet zorgvuldig is voorbereid en niet rust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat aangevallen uitspraak 1 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. Aan het besluit van

8 oktober 2015 kleeft hetzelfde gebrek als aan het te vernietigen bestreden besluit 1. Dat gebrek kan niet meer worden hersteld. Niet is gebleken dat er belemmeringen zijn die bijstandverlening in de weg staan. De Raad ziet daarom aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 8 oktober 2015 te herroepen en te bepalen dat appellant met ingang van 27 augustus 2015 bijstand toekomt naar de voor hem toepasselijke norm.

Aangevallen uitspraak 2

4.6.

Uit 4.5 volgt dat de grondslag aan bestreden besluit 2 is komen te ontvallen. In het verlengde daarvan kan aangevallen uitspraak 2 reeds daarom niet in stand blijven. Gelet hierop zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren, bestreden besluit 2 vernietigen en het besluit van 26 januari 2016 herroepen.

5. Het verzoek om vergoeding van geleden schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bijstand vanaf 27 augustus 2015 is voor toewijzing vatbaar. Voor de wijze waarop het college de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar de uitspraak van

25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 2.004,- in bezwaar (4 punten), op € 2.004,- in beroep (4 punten) en op

€ 1.503,- in hoger beroep (2 punten voor hoger beroepschriften en 1 punt voor gevoegde behandeling ter zitting) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraken;

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 4 december 2015 en

30 maart 2016;

- herroept de besluiten van 8 oktober 2015 en 26 januari 2016 en bepaalt dat aan appellant

bijstand naar de op hem van toepassing zijnde norm wordt toegekend met ingang van

27 augustus 2015;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van

4 december 2015 en 30 maart 2016;

- veroordeelt het college in de vergoeding van schade aan appellant op de wijze als aangeduid

in rechtsoverweging 5;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.511,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 216,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) P.C. de Wit

LO