Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1084

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
17/673 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:9449, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorten en intrekken. College heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat opschortingsbesluit in brievenbus appellant is gedaan. Intrekking omdat appellant niet op oproep is verschenen en niet gevraagde stukken heeft overgelegd. Aanvraag pas twee maanden na melding ingediend. Is niet zo spoedig mogelijk. Ingangsdatum is datum aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2018/99 met annotatie van Red.
ABkort 2018/178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 673 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

9 december 2017, 16/4242 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 10 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend, vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I. Car, kantoorgenoot van mr. Moghni. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Yaman. Als tolk was aanwezig M. Kada.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 26 juni 2015 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar

de norm voor een alleenstaande. Appellant staat sinds 19 juli 2013 in gemeentelijke basisadministratie (thans basisregistratie personen) ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding op 25 augustus 2015 dat in de woning van appellant steeds andere mensen verblijven en dat appellant op dat moment in Marokko was, hij soms voor twee weken thuis is en dan weer voor drie maanden naar Marokko gaat, heeft een medewerker fraudemeldingen van de afdeling Toetsing en Toezicht van de unit Bijzondere Onderzoeken (BO) van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is appellant bij brief van 7 oktober 2015 uitgenodigd voor een gesprek op 14 oktober 2015, met het verzoek een aantal in de oproepbrief vermelde stukken mee te nemen, waaronder bankafschriften van 1 juli 2015 tot en met 1 oktober 2015. Appellant is zonder bericht van verhindering niet op dat gesprek verschenen.

1.3.

Bij besluit van 15 oktober 2015, gewijzigd bij besluit van 21 oktober 2015 (besluit 1), heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 14 oktober 2015 opgeschort omdat hij niet was verschenen op de afspraak van 14 oktober 2015. Daarbij heeft het college appellant tevens uitgenodigd om, onder medeneming van de gevraagde gegevens, te verschijnen op een gesprek op 19 oktober 2015 en daarbij meegedeeld dat de bijstand zal worden beëindigd indien hij hieraan onvoldoende gevolg geeft. Volgens het door sociaal rechercheur F. de Groote (sociaal rechercheur) opgemaakte rapport fraudeonderzoek van

20 oktober 2015 is het besluit van 15 oktober 2015 op 15 oktober 2015 omstreeks 17.58 uur in de brievenbus van de woning van appellant gedeponeerd. Appellant is op 19 oktober 2015 niet verschenen.

1.4.

Bij besluit van 21 oktober 2015 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 14 oktober 2015 ingetrokken op de grond dat appellant tweemaal zonder bericht niet is verschenen op een oproep en evenmin de gevraagde gegevens heeft verstrekt. Als gevolg hiervan is het recht op bijstand niet vast te stellen.

1.5.

Op 31 oktober 2015 heeft appellant zich gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Op 12 januari 2016 heeft appellant bijstand aangevraagd.

1.6.

Bij besluit van 14 mei 2016 (besluit 3) heeft het college aan appellant bijstand toegekend met ingang van 12 januari 2016.

1.7.

Bij besluit van 19 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en de bezwaren tegen besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Opschorting en intrekking

4.1.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de PW kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. Artikel 54, tweede lid, van de PW bepaalt dat het college aan de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen een door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant pas op 17 december 2015 bezwaar heeft gemaakt tegen besluit 1. Appellant voert aan dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat besluit 1 op 15 oktober 2015 in de brievenbus van de woning van appellant is gedeponeerd, zodat de bezwaartermijn geen aanvang heeft genomen en het college hem ten onrechte niet in zijn bezwaar heeft ontvangen.

4.2.1.

Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7532) in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:BW7796), kan het in de brievenbus deponeren van een besluit voor de toepassing van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht worden vergeleken met een niet-aangetekende verzending per post. Daarom is het bij betwisting van die deponering aan het college om aannemelijk te maken dat besluit 1 daadwerkelijk tijdig bij appellant is bezorgd en dat dat besluit aan hem bekend is gemaakt.

4.2.2.

In het door de sociaal rechercheur op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende rapport van 20 oktober 2015 is onder meer vermeld dat sociaal rechercheur [naam A] ([A]) op 15 oktober 2015 omstreeks 17.58 uur persoonlijk het besluit van

15 oktober 2015 heeft bezorgd op het uitkeringsadres in de centrale brievenbus. Aan een dergelijk op ambtsbelofte opgemaakt rapport komt in het algemeen belangrijke betekenis toe. In hoger beroep heeft het college desgevraagd verklaard dat [A] op 15 oktober 2015 om 17.58 uur de sociaal rechercheur via haar mobiele telefoon een e-mailbericht heeft gestuurd met een foto van de brievenbus van het uitkeringsadres met de mededeling “Net bezorgd”. Dit e-mailbericht, met de desbetreffende foto, heeft het college in hoger beroep overgelegd. Daarmee heeft het college aannemelijk gemaakt dat het opschortingsbesluit van 15 oktober 2015 daadwerkelijk op 15 oktober 2015 in de brievenbus van appellant is gedeponeerd en dat het besluit daarmee aan appellant bekend is gemaakt. Daartoe is, anders dan appellant stelt, niet ook nog een op ambtseed opgestelde verklaring van [A] nodig. Het college heeft het bezwaar tegen besluit 1 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.2.3.

De overige gronden die appellant in verband met besluit 1 in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeven, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.

4.3.

Uit 4.2.2 volgt dat besluit 1 in rechte onaantastbaar is geworden, zodat ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand per 14 oktober 2015 op grond van artikel 54,

vierde lid, van de PW in rechte stand kan houden.

4.3.1.

Bij de beantwoording van de vraag of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken (uitspraak van 17 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB0564).

4.3.2.

Vaststaat dat appellant niet op het gesprek op 19 oktober 2015 is verschenen en de gevraagde gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft verstrekt. Hiervan kan appellant een verwijt worden gemaakt. Appellant heeft geen reden gegeven voor zijn niet verschijnen. Ook van het niet verstrekken van de gevraagde gegevens kan hem een verwijt worden gemaakt. Het ging immers om gegevens waarover appellant binnen de hersteltermijn kon beschikken dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Het college was dan ook bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 14 oktober 2015 in te trekken. De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken omdat geen sprake is van een opschortingsbesluit, slaagt, gelet op wat hiervoor onder 4.2.2 is overwogen, niet.

Ingangsdatum

4.5.

Uit artikel 44, eerste en tweede lid, van de PW volgt dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Op grond van artikel 44, derde lid, van de PW kan het college, indien de aanvraag niet zo spoedig mogelijk na de melding wordt ingediend, de bijstand toewijzen met ingang van de datum waarop de aanvraag is ingediend. Uit dit artikel en daarop betrekking hebbende rechtspraak (uitspraak van 2 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9088), welke rechtspraak zijn gelding onder de PW heeft behouden, vloeit voort dat een melding zijn betekenis houdt zolang geen sprake is van tijdsverloop waarvan betrokkene een verwijt kan worden gemaakt.

4.5.1.

Voor het antwoord op de vraag of sprake is van verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 44, derde lid, van de PW zijn de omstandigheden van appellant bepalend. Het ligt daarom op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hem van de verlate aanvraag geen verwijt kan worden gemaakt.

4.5.2.

Appellant heeft pas op 12 januari 2016 bijstand aangevraagd. Dat is ruim twee maanden na de melding en dus niet zo spoedig mogelijk. In wat is aangevoerd, namelijk een mogelijke huisuitzetting, oplopende schulden en persoonlijke problemen in de familiesfeer, zijn, nog daargelaten dat die omstandigheden niet zijn onderbouwd, geen aanknopingspunten te vinden voor de conclusie dat appellant van het tijdsverloop geen verwijt kan worden gemaakt. Het betoog van appellant ter zitting dat het hem niet helemaal duidelijk was dat hij ook nog een aanvraag moest indienen, werpt geen ander licht op de zaak omdat de tijdige indiening van een bijstandsaanvraag behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A.M. Overbeeke en

E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2018.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) S.A. de Graaff

IJ