Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1069

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
13-04-2018
Zaaknummer
16/296 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht oordeel rechtbank dat in rechte vaststaat dat appellant in 1997 niet langer recht had op een ZW-uitkering en evenmin op een WAO-uitkering. Brieven appellant van 3 juli en 6 augustus 2014 zijn terecht door Uwv opgevat als verzoeken op grond van artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv, dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet is gebleken, onderschreven. De Raad verwijst naar hetgeen de rechtbank in rechtsoverwegingen 10.1 tot en met 11 daarover heeft overwogen en sluit zich daar geheel bij aan. Geen sprake van evident onredelijk besluit. Voor zover het een Amber-verzoek zou zijn, voldeed de aanvraag evenmin aan de daaraan te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 296 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

3 december 2015, 15/6013 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Es. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaker. Vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving, heeft hij heeft zich op 15 februari 1996 ziek gemeld wegens rug- en urologische klachten. Op 3 februari 1997 is hij onderzocht door een verzekeringsarts, die hem met ingang van die datum volledig arbeidsgeschikt heeft geacht voor zijn werkzaamheden.

1.2.

Bij brieven van 3 juni 2014 en 6 augustus 2014 heeft appellant het Uwv verzocht zijn recht op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te beoordelen. Bij besluit van 14 november 2014 heeft het Uwv te kennen gegeven dat appellant geen WAO-uitkering krijgt. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant op 15 februari 1996 arbeidsongeschikt is geworden en de wachttijd van 52 weken toen niet heeft volgemaakt. Daarna was appellant niet meer verzekerd voor de WAO.

1.3.

Bij besluit van 7 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit waarbij zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van

3 februari 1997 is beëindigd niet-ontvankelijk verklaard wegens het overschrijden van de bezwaartermijn. De arbeidsgeschiktheidsverklaring van 3 februari 1997 is appellant door de verzekeringsarts uitgereikt en daarna is nog een besluit verzonden. Het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2014 is ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het verzoek van 3 juni 2014 is opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit waarmee appellant in 1997 een WAO-uitkering is geweigerd. Niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe dwingen om terug te komen van het besluit uit 1997. De rapportage besluitvorming AG-team uit januari 1997 maakt dit niet anders.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Daartoe is overwogen dat het Uwv ten onrechte heeft afgezien van het houden van een hoorzitting. Voorts is overwogen dat de arbeidsgeschiktheidsverklaring van

3 februari 1997 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op de uitkomst van de medische beoordeling heeft de rechtbank het aannemelijk geacht dat de besluiten inzake het recht op een ZW-uitkering en op een WAO-uitkering aan appellant zijn toegezonden. Mede gelet op het tijdsverloop komt het voor rekening en risico van appellant dat niet meer is na te gaan wanneer die besluiten aan hem zijn toegezonden. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 2 maart 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV7691).

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit. Hij heeft daartoe gesteld dat de besluiten inzake zijn recht op een ZW-uitkering en op een WAO-uitkering niet op de juiste wijze aan hem bekend zijn gemaakt. De rechtbank baseert haar oordeel op veronderstellingen in plaats van op artikel 3:41 van de Awb. Er is sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel omdat uit het rapport van het AG-team van 11 december 1996 blijkt dat hij volledig arbeidsongeschikt wordt geacht; het staat het Uwv niet vrij hiervan terug te komen. Hij heeft verzocht hem alsnog in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering en een WAO-uitkering en de wettelijke rente te vergoeden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij medische stukken overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 6.2 terecht geoordeeld dat de arbeidsgeschiktheidsverklaring van 3 februari 1997 geen besluit is.

4.1.2.

De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 8.2 tot en met 8.5 eveneens terecht geoordeeld, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 2 maart 2012, dat ervan moet worden uitgegaan dat appellant de besluiten over zijn recht op een ZW-uitkering en op een WAO-uitkering heeft ontvangen. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat hij die besluiten niet ontvangen heeft. Dit is des te vreemder omdat appellant vanaf 3 februari 1997 geen betalingen van het Uwv meer heeft gekregen. Appellants stelling dat hij wegens psychische problemen niet in staat was bij het Uwv te informeren waarom hij geen uitkering op grond van de ZW of WAO ontving, is niet onderbouwd. Uit de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken blijkt niet dat appellant in 1997 aan een psychische ziekte leed.

4.1.3.

Appellant heeft gesteld dat hij, gelet op het rapport van het AG-team van

11 december 1996, erop mocht vertrouwen dat hij een WAO-uitkering zou krijgen. Dit betoog slaagt niet, reeds omdat appellant destijds niet op de hoogte was van het bestaan en de inhoud van dit rapport en er dus geen vertrouwen aan kon ontlenen. Bovendien is door de arbeidsgeschiktheidsverklaring en de nadien verzonden besluiten tot beëindiging van zijn ZW-uitkering en weigering van een WAO-uitkering voor appellant voldoende duidelijk geworden dat hij geen recht had op een WAO-uitkering.

4.1.4.

Gelet op het vorenstaande staat in rechte vast dat appellant in 1997 niet langer recht had op een ZW-uitkering en evenmin recht had op een WAO-uitkering.

4.2.1.

Het Uwv heeft de brieven van appellant van 3 juli en 6 augustus 2014 dan ook terecht opgevat als verzoeken op grond van artikel 4:6 van de Awb.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.2.2.

In een uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1) heeft de Raad zijn rechtspraak met betrekking tot verzoeken als hier aan de orde nader gepreciseerd. Onder meer is in die uitspraak overwogen dat bij een doorlopende periodieke aanspraak, voor de toetsing een splitsing moet worden aangebracht tussen de periode voorafgaande aan de aanvraag en de periode na de aanvraag. Nadien heeft de Raad in een uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten over een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een uitspraak van 3 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:894) tenslotte heeft de Raad geoordeeld dat bij een afwijzing door het Uwv met toepassing van artikel 4:6 van de Awb de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015 onverminderd van belang blijft.

4.2.3.

In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.2.4.

Met juistheid heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv, dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet is gebleken, onderschreven. De Raad verwijst naar hetgeen de rechtbank in rechtsoverwegingen 10.1 tot en met 11 daarover heeft overwogen en sluit zich daar geheel bij aan.

4.2.5.

Uit de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 volgt dat een dergelijke vaststelling de afwijzing van een herhaalde aanvraag in beginsel kan dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is. Wat appellant in het onderliggende geval heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.2.6.

Voor zover de aanvraag van appellant betrekking heeft op de toekomst, voldeed de aanvraag, uiterlijk in de bezwaarfase, evenmin aan de daaraan te stellen eisen en mocht het Uwv de aanvraag afwijzen. Appellant heeft immers uiterlijk in de bezwaarfase geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die, hoewel geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, leiden tot het oordeel dat het besluit waarvan herziening is gevraagd, niet kan worden gehandhaafd voor zover het gaat om eventuele aanspraken voor de toekomst. Voor zover de aanvraag van appellant moet worden opgevat als een Amber-verzoek, voldeed de aanvraag evenmin aan de daaraan te stellen eisen.

4.3.

Uit 4.1 tot en met 4.2.6 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. Gelet hierop is er geen reden voor het toekennen van schadevergoeding.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018.

(getekend) E. Dijt

(getekend) J.R. Trox

KS