Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1061

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
15-6435 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag terecht afgewezen op de grond dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf op opgegeven adres had. Uit medische verklaring blijkt niet dat appellante niet in staat was te verklaren of mee te werken aan het huisbezoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 6435 WWB

Datum uitspraak: 20 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
20 augustus 2015, 15/1362 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot schade ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de zaken 15/2522 WWB en 15/6524 PW, plaatsgevonden op 6 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Dayala. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft zich op 9 september 2014 gemeld voor het aanvragen van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Met ingang van 18 september 2014 stond appellante in de basisregistratie personen ingeschreven op het adres [adres] (opgegeven adres).

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag van appellante heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader heeft een handhavingsmedewerker van DWI met appellante op
13 oktober 2014 een gesprek gevoerd en diezelfde datum een aangekondigd huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. Ook tijdens het huisbezoek heeft appellante verklaringen afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van
17 oktober 2014.

1.3.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien bij besluit van 17 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 januari 2015 (bestreden besluit), de aanvraag om bijstand af te wijzen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Volgens het college heeft appellante onvoldoende aannemelijk gemaakt haar hoofdverblijf te hebben op het opgegeven adres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 9 september 2014 tot en met 17 oktober 2014 te beoordelen periode.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. De aanvrager dient daarbij duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn woon- en leefsituatie. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat zij, anders dan het college meent, heeft aangetoond dat zij in de te beoordelen periode woonde op het opgegeven adres.

4.5.

Deze beroepsgrond faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Hierbij is van belang dat appellante op 13 oktober 2014, voorafgaand aan het huisbezoek heeft verklaard dat zij geen sleutel had van de woning op het opgegeven adres en dat zij haar tandenborstel die ochtend had weggegooid, waarna zij en de hoofdbewoonster het vuilnis in de container hadden gegooid. Haar persoonlijke spullen lagen volgens haar verklaring voor een deel op een ander adres. Zij had volgens haar verklaring maar een geringe hoeveelheid kleding in de woning en kon tijdens het huisbezoek ook maar weinig kleding tonen. Zij kon in de slaapkamer niet de pyjama en haar witte handdoek tonen, die zich daar volgens haar eerder die dag afgelegde verklaring zouden bevinden. Appellante kon voorts bij het huisbezoek, dat op haar verzoek op een later tijdstip dan aanvankelijk aan haar voorgesteld werd gepland, omdat zij tijd wilde hebben de huissleutels bij de hoofdbewoner op te halen, met de sleutelbos waarmee zij aan kwam lopen de woning niet zonder hulp openen. Zij beschikte niet over een sleutel van de uitpandige berging, waarin naar haar zeggen onder meer een deel van haar kleding, haar schoenen en badhanddoeken waren opgeborgen. Tevens kon appellante tijdens dat huisbezoek geen administratie of andere persoonlijke spullen op haar naam tonen en ook niet de oplader van haar mobiele telefoon.

4.6.

Appellante heeft aangevoerd dat zij moeite heeft om haar gedachten bij zaken te houden, waardoor zij van mening was dat het voldoende was om slechts een aantal kledingstukken aan de handhavingsmedewerkers te tonen, dat zij vaak met haar gedachten afwezig is en vergeet waar en hoe zij haar zaken heeft achtergelaten. Appellante heeft ter onderbouwing daarvan een medische verklaring van 12 november 2014 van een psychiater overgelegd, waarin is vermeld dat zij lijdt aan een ernstige depressieve stoornis, die zich uit in onder meer somberheid, angst, piekeren, slaapproblemen, vermoeidheid, concentratieproblemen, wanhoop en wisselende suïcidegedachten. Deze verklaring kan appellante niet baten. Appellante heeft bij het huisbezoek op diverse vragen geantwoord dat zij gevraagde zaken niet kon tonen. Bovendien heeft appellante op 13 oktober 2014 - desgevraagd - verklaard dat er voor haar geen belemmeringen waren voor het voeren van een gesprek en dat zij niet onder invloed of ziek was. Verder is appellante in staat gebleken gedetailleerd en uitvoerig te verklaren en blijkt uit het verslag van het huisbezoek evenmin dat appellante om medische redenen niet in staat was daaraan mee te werken. De beroepsgrond faalt.

4.7.

Het college heeft de door appellante verstrekte gegevens op juistheid en volledigheid onderzocht door onder meer het afleggen van een huisbezoek. Gelet op het onder 4.2 weergegeven kader was het college, anders dan appellante heeft aangevoerd, niet gehouden

appellante een hersteltermijn te bieden om aan te tonen dat zij wel woonachtig was op het uitkeringsadres.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding bestaat daarom geen grond.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2018.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) J. Smolders

RH