Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1060

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
16-7537 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:8163, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college is terecht tot herziening van de bijstand overgegaan in de maanden waar bijschrijvingen en kasstortingen op de bankrekening van appellant plaatsvonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7537 PW

Datum uitspraak: 20 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 oktober 2016, 16/2346 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Matadien, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Yaman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 22 november 2006 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.

In het kader van het project heronderzoek PW 2015 heeft het college onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van het onderzoek heeft het college appellant onder meer verzocht om bankafschriften van de laatste twaalf maanden van alle in zijn bezit zijnde bankrekeningen over te leggen. Een medewerker van het team Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam heeft op 24 augustus 2015 met appellant een gesprek gevoerd over onder andere de bankafschriften van zijn bankrekening bij de ING-bank met rekeningnummer eindigend op 303. Uit deze bankafschriften is naar voren gekomen dat in de periode van 1 september 2014 tot en met

21 augustus 2015 in verschillende maanden op deze rekening in totaal zes bijschrijvingen hebben plaatsgevonden in omvang variërend van € 70,- tot € 100,- afkomstig van [naam A] ([A]) en dertien stortingen in omvang variërend van € 50,- tot € 600,-. Namens appellant heeft zijn dochter per e-mailbericht verklaard dat de stortingen zijn te verklaren door de gewoonte van appellant een positief saldo te pinnen en contant geld bij zich te houden. Zodra vaste lasten moeten worden betaald, stort appellant geld op de rekening om deze te voldoen. In januari 2015 en februari 2015 heeft appellant geldbedragen voorgeschoten gekregen van een vriend, welke bedragen hij daarna heeft terugbetaald. Daarnaast heeft de dochter van appellant te kennen gegeven dat geen verifieerbare gegevens aanwezig zijn om de verklaring te onderbouwen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 september 2015.

1.3.

In de onderzoeksbevindingen heeft het college aanleiding gezien bij besluit van

14 september 2015 (besluit 1) de bijstand van appellant over de periode van 1 september 2014 tot en met 31 augustus 2015 (periode in geding) te herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.769,64 van hem terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat de bijschrijvingen en stortingen op de bankrekening van appellant als inkomsten moeten worden aangemerkt. Appellant had deze inkomsten bij het college moeten melden. Omdat appellant de inkomsten niet heeft gemeld, heeft hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan hij teveel bijstand heeft ontvangen.

1.4.

Bij besluit van 5 januari 2016 (besluit 2) heeft het college de op 31 december 2015 openstaande vordering van € 1.488,80 verhoogd met loonbelasting en premies volksverzekering tot een bedrag van € 2.344,56.

1.5.

Bij besluit van 23 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de periode in geding de onder 1.2 bedoelde bedragen zijn bijgeschreven en gestort op de bankrekening van appellant. Ook is niet in geschil dat appellant hiervan bij het college geen melding heeft gemaakt.

4.2.

Appellant betwist dat hij de bijschrijvingen en stortingen had moeten melden. De bijschrijvingen van [A] betreffen leningen die hij moet terug betalen. De kasstortingen zijn gedaan met eigen geld dat hij van zijn bankrekening heeft opgenomen. Als later een rekening betaald moest worden, stortte hij het geld weer terug op de bankrekening.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger en diens minderjarige inwonende kinderen in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de WWB niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138, en van 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1106). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Wat hiervoor ten aanzien van de bijstandontvanger is overwogen laat onverlet dat met betrekking tot degene, die (zonder ander inkomen) in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand of na blokkering of opschorting van de bijstand geen bijstand ontvangt, ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van geldleningen, mogelijk anders kan worden geoordeeld (uitspraak van

18 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:455). Deze situatie doet zich hier echter niet voor.

4.4.

Gelet op de omvang en het terugkerend karakter van de bijschrijvingen op de bankrekening van appellant moeten deze worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW over de maanden waarin deze hebben plaatsgevonden. De stelling van appellant dat de bedragen van [A] leningen betreffen en deze bedragen moeten worden terugbetaald, leidt, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet tot een ander oordeel.

4.5.

De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat onvoldoende rechtstreeks verband te zien is tussen de opnames en de stortingen, zowel in tijd als in omvang van de bedragen, om aannemelijk te kunnen achten dat op de rekening van appellant geen andere bedragen zijn gestort dan de bedragen die hij eerder had opgenomen. Het college heeft daarom de stortingen terecht als inkomsten op de bijstand in mindering gebracht.

4.6.

Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de stortingen en bijschrijvingen van invloed konden zijn op zijn recht op bijstand, zodat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Artikel 17 van de PW bevat een objectief geformuleerde verplichting. Anders dan appellant meent, speelt verwijtbaarheid daarbij geen rol. Dat appellant vanwege zijn medische behandelingen en medicijnen niet in staat was te beoordelen dat de stortingen en bijschrijvingen van belang waren voor zijn recht op bijstand, zoals hij heeft aangevoerd, is dan ook niet van belang

4.7.

Appellant kan evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat door de herziening en terugvordering van zijn bijstand artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. De herziening en terugvordering zijn reparatoir van aard. Appellant heeft, doordat de stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening bij het college niet bekend waren, in de herzieningsperiode meer aan bijstand ontvangen dan waarop hij op grond van de PW recht had.

4.8.

Met betrekking tot het beroep op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) overweegt de Raad dat in artikel 51 van het Handvest het toepassingsgebied van het Handvest is afgebakend. In het eerste lid van dit artikel is neergelegd dat de bepalingen van het Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de

Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. In het onderhavige geval is uitvoering van enige bepaling van Unierecht niet aan de orde, althans dat is niet gesteld of gebleken. Artikel 34 van het Handvest kan in dit geval dan ook geen toepassing vinden, zodat het beroep van appellant op deze bepaling faalt (uitspraak van 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4737).

4.9.

Appellant heeft aangevoerd dat de terugvordering ten onrechte is gebruteerd omdat de schuld hem niet te verwijten valt.

4.10.

Volgens vaste rechtspraak over de Wet werk en bijstand, die onder de PW zijn geldigheid heeft behouden (uitspraak van 24 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB0561), moet worden afgezien van de uitoefening van de in artikel 58, vijfde lid van de PW neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat hij de schuld niet reeds heeft voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Aan deze voorwaarden voldoet appellant niet.

4.11.

Het college heeft zich, zoals volgt uit 4.1 en 4.3 tot en met 4.5, terecht op het standpunt gesteld dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. De vaststelling dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, betekent dat de vordering niet buiten zijn toedoen is ontstaan. Het college was dan ook bevoegd de openstaande vordering te verhogen met af te dragen loonbelasting en premies.

4.12.

Tot slot doet appellant een beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien Vanwege zijn medische omstandigheden heeft appellant reeds hoge kosten en leeft

hij geïsoleerd, zodat de terugvordering leidt tot een verergering van zijn behoeftige omstandigheden. Deze omstandigheden vormen een beperking en aantasting van het privéleven van appellant in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten

van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 33 van het Europees Sociaal Handvest.

4.13.

De beroepsgrond dat dringende redenen bestaan op grond waarvan van terugvordering dient te worden afgezien, slaagt niet. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Appellant heeft niet met concrete (medische) stukken onderbouwd dat zijn gezondheid is verslechterd als gevolg van de terugvordering. Voor zover appellant heeft bedoeld dat sprake is van onaanvaardbare financiële gevolgen van de terugvordering is van belang dat financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels van de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.14.

Uit 4.1 tot en met 4.13 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor schadevergoeding geen grond, zodat het verzoek om veroordeling daartoe dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2018.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) J. Smolders

OS