Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1059

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
16-7891 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Op geld waardeerbare activiteiten. Recht niet vast te stellen, ook niet schattenderwijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7891 PW

Datum uitspraak: 20 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

24 november 2016, 15/4877 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Bergen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jokhan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. V. Djordjevic.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving tot 11 december 2014 een uitkering ingevolge de Ziektewet. Hij heeft op 27 november 2014 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk bijstand (thans: Participatiewet (PW)) ingediend.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college appellant onder meer verzocht om bankafschriften van de laatste drie maanden van alle in zijn bezit zijnde bankrekeningen over te leggen. Op de door appellant ingeleverde bankafschriften is acht keer een transactie te zien bij een tankstation terwijl appellant geen kenteken op zijn naam had staan en is in een periode van twee maanden drie keer een bijschrijving van € 300,- en een bijschrijving van € 500,-

te zien afkomstig van de [praktijk] , onder vermelding van [bedrijf 3] ”. Daarnaast is op de bankafschriften te zien dat appellant pint bij de [bedrijf 1] voor

€ 79,02 en een bedrag van € 35,40 betaalt aan webhosting [webhosting] . Uit onderzoek op internet (Facebook) is gebleken dat appellant op zijn Facebook-account reclame maakt voor [bedrijf 2] . Uit nader onderzoek is gebleken dat [bedrijf 2] op naam staat van [naam 1] ( [X] ) als nevenvestiging. [X] heeft op hetzelfde nummer van de Kamer van Koophandel de [praktijk] geregistreerd staan. Voorts is gebleken dat de website van [bedrijf 2] - met onder meer het menu - op naam van appellant staat en dat [bedrijf 3] een bedrijf is dat gevestigd is op hetzelfde adres als [bedrijf 2] .

1.3.

Vervolgens heeft een toezichthouder van de gemeente Bergen in de periode van

6 januari 2015 tot en met 7 februari 2015 waarnemingen verricht bij [bedrijf 2] en het huisadres van appellant. Bij de waarnemingen is bij [bedrijf 2] en het adres van appellant, [adres 1] , een auto van het merk [merk] , type [type] , met het

kenteken [kenteken 1] (auto) gesignaleerd. Deze auto staat sinds 23 januari 2015 op naam van [naam 2] ( [Y] ). Volgens het Facebook-account van appellant is [Y] zijn partner. Daarnaast heeft de toezichthouder op 17 januari 2015 eten besteld bij [bedrijf 2] en werd hij te woord gestaan door appellant. Appellant verzorgde de bestelling en rekende ook af met de toezichthouder. Voor [bedrijf 2] werd de auto en een auto met kenteken [kenteken 2] , welke (ook) op naam van [Y] stond, aangetroffen.

1.4.

Op 29 januari 2015 hebben de toezichthouder en een consulent een intakegesprek met appellant gevoerd. Tijdens dit gesprek heeft appellant verklaard dat hij aanwezig is bij [bedrijf 2] , maar daar niet werkt. Daarnaast heeft appellant verklaard dat hij van dinsdag tot en met zaterdag aanwezig is bij [bedrijf 2] , dat [X] zijn neef is, dat [bedrijf 2] van [X] is en dat hij daar sleutelt en kookt. Over de bijschrijvingen op zijn bankrekening van de [praktijk] heeft appellant verklaard dat hij daar keukenspullen, bouwmateriaal en gereedschap van koopt voor de quadshop om [X] hiermee te helpen. Appellant heeft verklaard dat de website van [bedrijf 2] op zijn naam staat, maar dat hij de website niet beheert. Hij ontkent niet dat van zijn bankrekening kosten worden afgeschreven voor webhosting van

de website. Ook heeft appellant verklaard dat hij een auto kan gebruiken wanneer hij deze nodig heeft, het betreft een [merk] , dat de auto op naam staat van [Y] en dat hij geen gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Hij wordt gehaald of gebracht of kan de auto van

[Y] lenen.

1.5.

Op 2 februari 2015 heeft de toezichthouder telefonisch [X] als getuige gehoord. [X] heeft tijdens dit gesprek verklaard dat het bedrijf op de [adres 2] een uitprobeersel is in eten en een gedeelte in verhuur van quads. Appellant helpt hem en houdt een oogje in het zeil. Ook verklaart [X] dat appellant niet werkzaam voor hem is, omdat de zaak nog niet open is. Appellant heeft wel een sleutel van de zaak en doet af en toe wat dingetjes. Twee toezichthouders hebben op 6 februari 2015 [Y] als getuige gehoord. [Y] heeft tijdens dit gehoor verklaard dat zij een relatie heeft met appellant, dat zij een zwarte [merk] op haar

naam heeft staan en dat appellant deze auto mag gebruiken. Daarnaast heeft zij verklaard

dat appellant niet werkt, dat hij aan het hobbyen of knutselen is bij [bedrijf 2] en dat

[bedrijf 2] nog niet open is. [bedrijf 2] zit in de probeerfase. Tijdens een hoor en wederhoor-gesprek op 4 maart 2015 heeft appellant verklaard dat hij geen inkomsten ontvangt uit zijn werkzaamheden bij [bedrijf 2] en dat het vrijwilligerswerk betreft. Hij helpt zijn neef bij het opstarten van een bedrijf en het bedrijf is nog niet officieel open. De onderzoeksbevindingen zijn vastgelegd in een rapport van 6 maart 2015.

1.6.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien bij besluit van

6 maart 2015, na bezwaar, in afwijking van het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften, gehandhaafd bij besluit van 30 september 2015 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant af te wijzen op de grond dat het aannemelijk is geworden dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden verricht bij Roti Koning, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 11 december 2014 tot en met 6 maart 2015.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid

te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Voldoet de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting, dan is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat de onderzoeksresultaten onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Appellant heeft zelf verklaard dat hij van dinsdag tot en met zaterdag aanwezig was bij [bedrijf 2] , dat hij dan niet werkte maar daar sleutelde en kookte. Daarnaast heeft appellant verklaard dat hij met de bijschrijvingen van [praktijk] keukenspullen, bouwmateriaal en gereedschap voor de quadshop kocht. Ook heeft appellant verklaard dat hij [X] hielp bij het opstarten van het bedrijf. Verder staat de website van [bedrijf 2] op zijn naam, heeft appellant de kosten voor de webhosting betaald en is hij werkend aangetroffen door een toezichthouder. De verklaring van appellant vindt steun in de verklaring van [X] dat appellant hem helpt, een oogje in het zeil houdt, af en toe wat dingetjes doet en een sleutel van de zaak heeft.

4.5.

Dat de aanwezigheid van de auto bij [bedrijf 2] bij een deel van de waarnemingen ook verklaard kan worden door de aanwezigheid van [Y] , die boven [bedrijf 2] werkzaam was, zoals appellant heeft aangevoerd, doet aan het voorgaande niet af. Bovendien heeft appellant ook verklaard dat hij werd gehaald of gebracht of de auto kon lenen. Dat appellant de auto mocht gebruiken volgt ook uit de verklaring van [Y] .

4.6.

Voorts laat de omstandigheid dat slechts eenmaal een bijschrijving van [X] heeft plaatsgevonden in de te beoordelen periode onverlet dat appellant in deze periode uitgaven heeft gedaan ten behoeve van de opstart van [bedrijf 2] en de quadshop van [X] . Ook deze omstandigheid doet daarom niet aan af aan wat onder 4.4 is overwogen.

4.7.

Ook de omstandigheid dat vanaf 25 februari 2015 een briefje op de deur van

[bedrijf 2] hing met de mededeling dat het bedrijf gesloten was en dat de opening tegelijk met de opening van de nieuwe verbindingsweg zou plaatsvinden en dat de website op

25 februari 2015 uit de lucht was, maakt het voorgaande niet anders. Appellant verrichtte immers werkzaamheden in het kader van de voorbereiding van het bedrijf. Voorts biedt het verslag van het hoor en wederhoor-gesprek van 4 maart 2015 geen aanknopingspunt voor de conclusie dat dat inmiddels zou zijn veranderd.

4.8.

Gelet op 4.4 tot en met 4.7 heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant in de te beoordelen periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis voor de verlening van bijstand is, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW, niet alleen het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.

4.9.

Appellant heeft aangevoerd dat, indien ervan moet worden uitgegaan dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht, de hoogte van de fictieve inkomsten schattenderwijs kan worden vastgesteld.

4.10.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Nu de omvang van de werkzaamheden van appellant niet, ook niet bij benadering, is vast te stellen, is het college niet gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag appellant aanvullend recht op bijstand heeft. Appellant heeft achteraf geen nadere informatie over zijn werkzaamheden verstrekt en is ook anderszins niet met een aanvaardbare, op objectieve en verifieerbare gegevens berustende reconstructie van deze activiteiten gekomen, waardoor het niet mogelijk is om schattenderwijs tot een nadere vaststelling van het recht op bijstand te komen. Dat appellant in de te beoordelen periode volledig arbeidsongeschikt is, zoals hij heeft aangevoerd, en hooguit een paar uur kon werken, heeft hij niet met stukken onderbouwd. Bovendien heeft de gestelde arbeidsongeschiktheid hem, gelet op wat onder 4.8 is overwogen, niet verhinderd op geld waardeerbare werkzaamheden te verrichten.

4.11.

Uit 4.4 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2018.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) J. Smolders

OS