Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1057

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
16/6839 WLZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pgb ten onrechte geweigerd. Dit besluit steunt nog slechts op de overweging dat appellant zich bij de eerdere verstrekking van een pgb op grond van de AWBZ niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Het Zorgkantoor heeft zich ten onrechte bevoegd geacht om op grond van de overweging dat appellant zich niet heeft gehouden aan verplichtingen verbonden aan het AWBZ-pgb, een pgb op grond van de Wlz te weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6839 WLZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
20 september 2016, 16/1868 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 7 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Ö. Şahin, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Şahin. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Baytemir.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van het Zorgkantoor van 10 februari 2016 ongegrond verklaard. Bij besluit van
10 februari 2016 heeft het Zorgkantoor gehandhaafd zijn besluit van 3 december 2015, waarbij appellant een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) is geweigerd.

1.2.

Ter zitting is gebleken dat het Zorgkantoor zijn besluit van 10 februari 2016 nog slechts doet steunen op de overweging dat appellant zich bij de eerdere verstrekking van een pgb op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen.

2. De Raad heeft in zijn uitspraak van 3 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2018:42, uitgesproken dat uit de definitie van het pgb in artikel 1.1.1 van de Wlz volgt dat in die wet en de daarop berustende bepalingen met een pgb wordt bedoeld een pgb op grond van de Wlz en dat
artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder c, van de Regeling langdurige zorg dan ook niet zo dient te worden uitgelegd dat het Zorgkantoor de verleningsbeschikking kan intrekken of wijzigen indien de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een pgb op grond van de AWBZ niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. De Raad ziet geen aanleiding om ten aanzien van (de uitleg van) artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz tot een ander oordeel te komen.

3. Het Zorgkantoor heeft zich derhalve ten onrechte bevoegd geachtom op grond van de overwegingdat appellant zich niet heeft gehouden aan verplichtingen verbonden aan het AWBZ-pgb, een pgb op grond van de Wlz te weigeren. De rechtbank – die een door het Zorgkantoor in hoger beroep niet langer gehandhaafde grondslag van het bestreden besluit heeft beoordeeld – is aan de beoordeling van deze weigeringsgrond niet toegekomen. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen dan ook te worden vernietigd.

4. Ter zitting zijn met partijen de gevolgen besproken van een mogelijk oordeel van de Raad dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Partijen hebben daarbij het voornemen uitgesproken in dat geval te proberen om in één keer tot een praktische finale oplossing te komen die ziet op de verlening, de verantwoording en de vaststelling van het pgb over de inmiddels verstreken en afgesloten periode. Hoewel nog een aantal fikse hobbels zal moeten worden genomen en beide partijen water bij de wijn zullen moeten doen, achten partijen het geenszins uitgesloten dat dat zal lukken.

5. Wat is overwogen onder 3 betekent dat het Zorgkantoor met inachtneming van deze uitspraak bij beslissing op bezwaar opnieuw zal moeten beslissen op de aanvraag om een pgb op grond van de Wlz. De Raad ziet – nu geen zekerheid bestaat dat de pogingen bedoeld in 4 tot succes leiden – met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het door het Zorgkantoor nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

6. Aanleiding bestaat om het Zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 10 februari 2016 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    draagt het Zorgkantoor op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat beroep tegen deze nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 1.002,-;

  • -

    bepaalt dat het Zorgkantoor aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) L.H.J. van Haarlem

SS