Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1054

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
17-5006 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht aangewezen als herplaatsingskandidaat. De raad van bestuur heeft nadat het niet tot een vaststellingsovereenkomst was gekomen, appellante terecht als herplaatsingskandidaat aangemerkt op de grond dat zij niet in een passende functie is of kon worden geplaatst. Dat het SB de mogelijkheid van een proefplaatsing niet kent, zoals appellante heeft betoogd, neemt niet weg dat de leidinggevende een aanbod tot plaatsing in een passende functie heeft gedaan dat zij niet heeft aanvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/5006 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

2 juni 2017, 16/8042 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Academisch Medisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam (raad van bestuur)

Datum uitspraak: 5 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Jaab, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jaab. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Burghout en A.C. Mabesoone.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is sinds 1996 werkzaam bij het Academisch Medisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam (AMC), laatstelijk in de functie van [functie 1a] bij de [dienst A] . Deze functie wordt ook wel aangeduid als [functie 1b] .

1.2.

Op 21 april 2015 heeft de raad van bestuur ingestemd met de reorganisatie van het [directoraat A] . Omdat de functie van appellante niet meer terugkomt in de nieuwe organisatie en daarmee is vervallen, is appellante op 12 mei 2015 aangemerkt als reorganisatiekandidaat.

1.3.

Appellante heeft haar belangstelling kenbaar gemaakt voor de functie van [functie 2] . Vervolgens heeft overeenkomstig de plaatsingsprocedure, die is vastgelegd in het Reorganisatieplan [directoraat A] (reorganisatieplan) en het Sociaal Beleidskader

AMC (SB), op 19 mei 2015 een belangstellingsgesprek plaatsgevonden en heeft appellante een assessment afgelegd.

1.4.

Nadat onduidelijkheid was ontstaan over de geschiktheid en motivatie van appellante voor de functie van [functie 2] , is zij in de gelegenheid gesteld aanvullende vragen te beantwoorden. Appellante heeft deze vragen in een op 2 juli 2015 met leidinggevende M (leidinggevende) gehouden gesprek beantwoord, waarbij appellante geëmotioneerd is geraakt. Omdat de leidinggevende het niet zorgvuldig vond haar beslissing op basis van dit gesprek te nemen, heeft zij appellante nogmaals in de gelegenheid gesteld de aanvullende vragen te beantwoorden, wat zij in een op 18 augustus 2015 gehouden gesprek heeft gedaan.

1.5.

Naar aanleiding van het gesprek van 18 augustus 2015 heeft de leidinggevende appellante bij e-mail van 20 augustus 2015, ondanks niet weggenomen twijfels over de geschiktheid van appellante voor de functie van [functie 2] , de mogelijkheid van een proefplaatsing voor de duur van zes maanden geboden. Daarnaast heeft de leidinggevende appellante als alternatief voor de proefplaatsing in overweging gegeven om buiten het AMC aan de slag te gaan en in dat kader afspraken te maken die in een vaststellingsovereenkomst kunnen worden vastgelegd. Bij e-mails van 13 en 15 september 2015 heeft appellante de leidinggevende bericht dat zij niet akkoord hoeft te gaan met een proefplaatsing en dat zij opteert voor het maken van afspraken die kunnen leiden tot een vaststellingsovereenkomst. Een dergelijke vaststellingsovereenkomst is niet tot stand gekomen.

1.6.

Omdat de functie van appellante is vervallen en het niet mogelijk is gebleken om haar een passende functie binnen het reorganisatiegebied aan te bieden, heeft de raad van bestuur appellante bij besluit van 26 november 2015 overeenkomstig het voornemen van 17 november 2015, waarop appellante haar zienswijze heeft gegeven, over de periode van 1 december 2015 tot 1 februari 2017 aangemerkt als herplaatsingskandidaat overeenkomstig het SB.

1.7.

Bij besluit van 21 november 2016 (bestreden besluit) heeft de raad van bestuur, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2015 overeenkomstig het advies van de adviescommissie Awb ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellante heeft na aanvang van de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nog stukken ingediend. De raad van bestuur heeft te kennen gegeven zich ertegen te verzetten dat deze stukken in de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken, omdat het voor hem niet goed mogelijk is om hierop nog inhoudelijk te reageren. De Raad volgt de raad van bestuur hierin en laat deze stukken daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.

3.2.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of de raad van bestuur appellante terecht heeft aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in het SB. Appellante heeft in de kern betoogd dat zij had moeten worden geplaatst op de voor haar passende functie van [functie 2] en dus ten onrechte als herplaatsingkandidaat is aangewezen.

3.3.

In hoofdstuk 5 van het SB is de, in deze zaak van toepassing zijnde, procedure bij plaatsing en herplaatsing in stappen bij een klassieke reorganisatie vastgelegd. Deze procedure omvat vier fasen. In fase twee worden reorganisatiekandidaten indien mogelijk op

een passende nieuwe functie geplaatst. In fase vier worden reorganisatiekandidaten die niet in fase één, twee of drie zijn/kunnen worden geplaatst aangemeld als herplaatsingskandidaat.

3.4.

De leidinggevende heeft appellante op 20 augustus 2015 plaatsing in de functie van [functie 2] aangeboden met een proeftijd van zes maanden. Appellante heeft dit aanbod in haar e-mails van 13 en 15 september 2015 van de hand gewezen en geopteerd voor een vaststellingsovereenkomst. Naar het oordeel van de Raad heeft de raad van bestuur, nadat het niet tot een vaststellingsovereenkomst was gekomen, appellante terecht als herplaatsingskandidaat aangemerkt op de grond dat zij niet in een passende functie is of kon worden geplaatst. Dat het SB de mogelijkheid van een proefplaatsing niet kent, zoals appellante heeft betoogd, neemt niet weg dat de leidinggevende een aanbod tot plaatsing in een passende functie heeft gedaan dat zij niet heeft aanvaard. Als appellante bedenkingen had tegen het aanbod, had het op haar weg gelegen die met de leidinggevende te bespreken.

3.5.

De overige gronden van appellante, die zien op het onzorgvuldig verlopen van de plaatsingsprocedure, waaronder het passeren van de uitslag van het assessment, en ertoe strekken dat appellante in de functie van [functie 2] had moeten worden geplaatst, zal de Raad gelet op 3.4 buiten bespreking laten.

3.6.

Uit 3.4 en 3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.J.T. van den Corput en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van

L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2018.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) L.V. van Donk

LO