Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1048

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
16/6801 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW- en WW-uitkering terecht ingetrokken en teruggevorderd. gefingeerde dienstverband. Appellante heeft ook in hoger beroep niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat er wel sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0040
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6801 ZW

Datum uitspraak: 11 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

20 oktober 2016, 15/5490 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. van de Weerd, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Weerd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft op 14 maart 2014 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Op het aanvraagformulier heeft zij vermeld dat zij van

1 oktober 2013 tot 1 april 2014 werkzaam is geweest in dienst van [BV] voor 38 uur per week. Daarnaast heeft appellante loonstroken overgelegd waarop een loon van € 2.500,- per maand is vermeld. Bij besluit van 5 mei 2014 heeft het Uwv appellante met ingang van 1 april 2014 (tot en met 30 juni 2014) in aanmerking gebracht voor een

WW-uitkering. Na een ziekmelding van appellante op 10 juni 2014 heeft het Uwv haar bij besluit van 3 juli 2014 met ingang van 1 juli 2014 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

De politie Eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, heeft een strafrechtelijk onderzoek verricht onder de naam [naam onderzoek 1] . Het onderzoek heeft zich onder meer gericht op mogelijke uitkeringsfraude waarbij, met behulp van rechtspersonen, valse werkgeversverklaringen en salarisspecificaties, dienstverbanden werden voorgewend. Eén van de rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking had was [BV] . Appellante is door de politie verhoord op 23 februari 2015 waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. De resultaten van het onderzoek naar [BV] zijn neergelegd in een proces-verbaal van 26 april 2015 en de resultaten van het onderzoek [naam onderzoek 1] in een proces-verbaal van 21 mei 2015.

1.3.

Naar aanleiding van dit strafrechtelijke onderzoek heeft het Uwv, onder de naam [naam onderzoek 2] , eveneens onderzoek verricht naar mogelijke uitkeringsfraude met gefingeerde dienstverbanden. Het Uwv heeft van het Openbaar Ministerie relevante gegevens uit het onderzoek [naam onderzoek 1] ontvangen. De resultaten van het onderzoek van het Uwv zijn voor wat betreft appellante neergelegd in een rapport van 19 mei 2015.

1.4.

Bij besluit van 13 mei 2015 (besluit I) heeft het Uwv de bij besluit van 3 juli 2014 toegekende ZW-uitkering vanaf 1 juli 2014 tot en met 10 mei 2015 ingetrokken. Bij besluit van 27 mei 2015 (besluit II) heeft het Uwv de ZW-uitkering over de periode van 1 juli 2014 tot en met 10 mei 2015 van in totaal € 18.017,16 teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 30 juni 2015 (besluit III) heeft het Uwv de bij besluit van 5 mei 2014 toegekende WW-uitkering over de periode van 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 ingetrokken. Bij besluit van 7 juli 2015 (besluit IV) heeft het Uwv de WW-uitkering over de periode van 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 van in totaal € 5.431,37 van appellante teruggevorderd.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 1 september 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten I tot en met IV ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv erin is geslaagd om aan de hand van de resultaten van het onderzoek [naam onderzoek 2] aannemelijk te maken dat er geen sprake was van een dienstbetrekking tussen appellante en [BV] . De rechtbank heeft de overwegingen in het bestreden besluit onderschreven en in aansluiting hierop als volgt overwogen. De rechtbank heeft in het op 23 februari 2015 opgemaakte proces-verbaal van het verhoor van appellante geen aanwijzingen gevonden voor de stelling van appellante dat tijdens het verhoor onvoldoende rekening is gehouden met haar gemoedstoestand. Appellante heeft tijdens dat verhoor verklaard in maart 2013 te zijn begonnen met werken voor [naam 1] , terwijl de arbeidsovereenkomst blijkens de door appellante overgelegde arbeidsovereenkomst met [BV] is aangevangen op 1 oktober 2013. Over de verrichtte werkzaamheden en de werktijden zijn (deels) tegenstrijdige verklaringen afgelegd door appellante en [naam 1] , met wie zij een arbeidsovereenkomst zou hebben gesloten en die haar feitelijk leidinggevende zou zijn geweest. Het op de loonstroken en de arbeidsovereenkomst vermelde loon van € 2.500,- bruto per maand is gezien de beweerdelijk verrichte werkzaamheden en het opleidingsniveau van appellante onevenredig hoog. Van het volgens appellante contant ontvangen loon van € 400,- per week heeft zij niet meer dan twee kwitanties overgelegd, die in afwijking van hetgeen gebruikelijk is niet zijn ondertekend door de beweerdelijke ontvanger, maar door [naam 1] . Aan deze kwitanties kan daarom niet de door appellante gewenste waarde aan worden toegekend. Appellante heeft ook ter zitting geen namen van collega’s waarmee zij samenwerkte kunnen noemen en heeft hiervoor geen plausibele verklaring kunnen geven. De schriftelijke verklaringen van [naam 2] en de verklaringen ter zitting van [naam 1] en [naam 3] zijn te algemeen van aard om de stelling van appellante, dat zij arbeid in het kader van een arbeidsovereenkomst met [BV] heeft verricht, te kunnen bevestigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat appellante er onvoldoende in is geslaagd om door middel van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij van

1 oktober 2013 tot en met 31 maart 2014 werkzaamheden in het kader van een arbeidsovereenkomst met [BV] heeft verricht.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat er wel sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen haar en [BV] . De politie heeft haar op

23 februari 2015 afgelegde verklaring gedeeltelijk verdraaid. Zij slikte veel medicijnen en was wazig, haar gemoedstoestand was slecht en zij werd overvallen door het verhoor. Dat zij de precieze periode van het dienstverband niet wist kan haar dan ook niet worden verweten. Bovendien voelde zij zich zeer geïntimideerd. Zij heeft tijdens het verhoor verklaard dat zij voor haar werk naar [gemeente 1] , circa 12 kilometer verderop, moest komen of dat zij werd opgehaald en naar de B.V. gebracht. Ten onrechte is in het proces-verbaal vermeld dat de B.V. circa 30 kilometer verderop zou zijn en dat zij naar [gemeente 2] moest komen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante het proces-verbaal van een getuigenverhoor van 15 september 2017 ingediend, dat heeft plaatsgevonden in de strafzaak tegen onder andere [naam 1] . Het loon van netto € 400,- per week komt volgens appellante vrijwel overeen met het loon op de loonstroken. Ook getuige [naam getuige] heeft verklaard dat er auto’s zijn verkocht bij [BV] . Er zijn dus werkzaamheden verricht bij [BV] . Omdat [BV] geen omzet heeft gemaakt zal de in- en verkoop van auto’s zwart zijn gebeurd, wat ook verklaart waarom appellante nauwelijks administratieve werkzaamheden heeft verricht. Dat [naam getuige] haar niet herkende van een foto is te verklaren omdat zij vaak alleen zat of met [naam 1] samen. Het is dan ook niet vreemd dat [naam getuige] appellante nooit heeft gezien en zij de namen van collega’s niet kent. [naam getuige] verklaring is daarnaast onbetrouwbaar. Hij is verslaafd en een verdachte in het strafrechtelijke onderzoek [naam onderzoek 1] .

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijke kader en een weergave van de relevante rechtspraak wordt verwezen naar overwegingen 4 tot en met 7 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

In geschil is de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering over de periode van

1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 en de intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering over de periode van 1 juli 2014 tot en met 10 mei 2015. De vraag die moet worden beantwoord is of het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante niet werkzaam is geweest in dienst van [BV] en dus niet verzekerd was voor de WW en de ZW. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, dient appellante aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij desondanks toch van 1 oktober 2013 tot en met

31 maart 2014 in dienst van [BV] heeft gewerkt.

4.3.

Niet gebleken is dat de door de rechtbank weergegeven feiten onjuist zijn. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitvoerig gemotiveerd waarom het standpunt wordt gevolgd dat sprake was van een gefingeerd dienstverband tussen appellante en [BV] . De overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.1.

De rechtbank heeft verwezen naar de overwegingen van het Uwv in het bestreden besluit die zijn gebaseerd op het rapport [naam onderzoek 2] . Daartoe behoren ook gegevens van de Belastingdienst waaruit blijkt dat in het vierde kwartaal van 2013 en het jaar 2014 geen omzet door [BV] is aangegeven. Dat wijst erop dat er in de periode hier in geding geen activiteiten zijn verricht door [BV] .

4.4.2.

Dat appellante tijdens het verhoor op 23 februari 2015 onder invloed van medicijnen of druk van de ondervragers onjuiste verklaringen heeft afgelegd dan wel dat haar verklaringen niet juist in het proces-verbaal zijn opgenomen, is niet aannemelijk geworden. Het

proces-verbaal, dat de vragen en antwoorden gedetailleerd beschrijft, vermeldt dat appellante op de vraag of er nog dingen zijn waarmee de ondervragers rekening moeten houden, heeft geantwoord dat zij medicijnen bij zich heeft en die mocht gebruiken als het nodig is. Haar antwoorden op de vragen geven geen blijk van enige verwarring en appellante heeft na doorlezing van het proces-verbaal verklaard in haar verklaring te volharden en heeft deze ondertekend. Zij heeft blijkens het proces-verbaal op de vraag hoe lang zij bij [BV] heeft gewerkt geantwoord: ‘Een half jaar denk ik, vanaf maart april 2013. Volgens mij ben ik vanaf maart bij [naam 1] begonnen te werken.’ Op de vraag wat zij heeft ingevuld op de WW-aanvraag heeft appellante daarna geantwoord: ‘1 oktober? Ja pin mij daar niet op vast, ik kan mij daarin ook vergissen. Ik weet het ook niet hoor.’ Dat antwoord duidt echter niet op een vergissing, maar op een ontwijkende verklaring nadat appellante was geconfronteerd met de tegenstrijdigheid tussen haar verklaring in het verhoor en de vermelding van de ingangsdatum van het contract op de WW-aanvraag. Voorts heeft appellante blijkens het proces-verbaal op de vraag met welke auto zij reed toen ze bij [BV] werkte geantwoord: ‘Een [merk auto] , dat is een soort Jeep zeg maar. Het is zeg maar 30 kilometer vanaf mijn huis naar mijn werk.’ Niet aannemelijk is dat appellante in werkelijkheid zou hebben verklaard dat het om een afstand van 12 kilometer ging. Het proces-verbaal vermeldt voorts niet, zoals appellant in hoger beroep stelt, dat zij naar [gemeente 2] moest komen. De op 15 oktober 2017 door appellante afgelegde getuigenverklaring werpt geen ander licht op het voorgaande. Er is dan ook geen aanleiding om de op 23 februari 2015 door appellante afgelegde verklaring niet in de beoordeling te betrekken.

4.4.3.

Ook heeft appellante geen verklaring kunnen geven voor het verschil tussen het bruto bedrag van € 2.500,- aan loon per maand op de loonstroken en de netto betaling die volgens haar € 400,- per week bedroeg. Daarnaast heeft appellante op 23 februari 2015 verklaard dat zij, als zij ziek was, minder kreeg betaald. Dit blijkt echter niet uit de loonstroken. Opvallend is ook dat appellante volgens de loonstroken premie voor een ouderdomspensioen afdraagt maar dat zij niet bekend is met een pensioenregeling. Voorts moest appellante volgens de arbeidsovereenkomst in ploegendienst werken. Ten slotte heeft appellante geen verklaring kunnen geven voor het op de loonstrook van de maand maart 2014 vermelde ‘Vorig fiscaal jaarloon’ van € 28.740,- .

4.5.

Slotsom is dat appellante ook in hoger beroep niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat er wel sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met [BV].

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) S.L. Alves

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

UM