Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
16/6556 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. De Raad kan zich geheel verenigen met de conclusies van de rechtbank dat de FML juist is vastgesteld en dat de in beroep aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies geschikt zijn voor appellant

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6556 ZW

Datum uitspraak: 11 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

28 september 2016, 16/1627 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.P. Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker klantenservice voor gemiddeld 20 uur per week. Zijn dienstverband is per 1 juni 2015 geëindigd. Op 24 februari 2014 heeft appellant zich ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant na zijn dienstverband in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op het spreekuur onderzocht. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 augustus 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten en heeft vervolgens vijf functies geselecteerd, te weten samensteller elektronische apparatuur met SBC-code 267050, productiemedewerker textiel met SBC-code 272043, medewerker kleding en textielreiniging met SBC-code 111161, textielproductenmaker met SBC-code 111160 en medewerker tuinbouw met SBC-code 111010. Op basis van eerste drie genoemde functies, zijnde de drie functies met de hoogste lonen, heeft hij berekend dat appellant nog 114,9% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 29 september 2015 vastgesteld dat appellant vanaf 30 oktober 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is in overeenstemming met een rapport van 17 februari 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep bij besluit van 24 februari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft appellant gesteld dat hij als gevolg van zijn klachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Daarnaast heeft hij gesteld dat hij niet geschikt is voor een aantal voor hem geselecteerde functies omdat in deze functies een hoog handelingstempo is vereist en hij in deze functies met gevaarlijke machines moet werken.

2.2.

In zijn verweerschrift in beroep heeft het Uwv laten weten, onder verwijzing naar een bijgevoegd rapport van 23 mei 2016 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, dat de functie met SBC-code 267050 komt te vervallen. Aangezien appellant op basis van de voornoemde functies van productiemedewerker textiel, medewerker kleding en textielreiniging en textielproductenmaker eveneens meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, heeft het Uwv het bestreden besluit ongewijzigd gehandhaafd.

3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft ingesteld. Daartoe is overwogen dat alle klachten van appellant – te weten depressieve klachten, PTSS, paniekstoornis en angstklachten – op een deugdelijke en kenbare wijze bij de medische beoordeling zijn betrokken. Dit geldt ook voor de eigen bevindingen uit het psychisch onderzoek en voor de in het dossier aanwezige informatie uit de behandelende sector. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellant hebben gemist. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de voor appellant in de FML van 13 augustus 2015 vastgestelde belastbaarheid. Appellant heeft niet aan de hand van medische informatie aannemelijk gemaakt dat hij meer beperkingen heeft dan in deze FML zijn vastgesteld. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat in de door het Uwv in beroep aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid niet wordt overschreden. Daartoe is onder meer overwogen dat het Uwv in voldoende mate heeft gemotiveerd dat in de functie van textielproductenmedewerker de medische belastbaarheid op het item 1.9.9. van de FML – persoonlijk risico – niet wordt overschreden. Aangezien de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit in beroep is gewijzigd heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Omdat door de nadere in beroep gegeven arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit de uitkomst niet anders is geworden – appellant is minder dan 35% arbeidsongeschikt gebleven – heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Daarbij heeft hij zijn gronden herhaald.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad komt tot het volgende oordeel.

5.1.

De Raad kan zich geheel verenigen met de conclusies van de rechtbank dat de FML juist is vastgesteld en dat de in beroep aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies geschikt zijn voor appellant. De overwegingen die de rechtbank aan die conclusies ten grondslag heeft gelegd, worden geheel onderschreven. Ook in hoger beroep wordt geoordeeld dat in de functie van textielproductenmedewerker geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van appellant voor wat betreft het werken met gevaarlijke machines. Dit betekent, onder verwijzing naar de van toepassing zijnde beoordelingssystematiek zoals die is weergegeven in de uitspraak van de Raad van 30 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4920), dat het Uwv het recht op een ZW-uitkering terecht met ingang van 1 juni 2015 heeft beëindigd en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) S.L. Alves

OS