Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1046

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
16/6191 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering terecht ingetrokken. WIA-uitkering terecht ingetrokken en teruggevorderd. Gefingeerd dienstverband. Het Uwv heeft aannemelijk gemaakt dat appellant niet werkzaam is geweest in dienst van de BV en dus niet verzekerd was voor de WW en de WIA.

Verzoek om uitstel wegens vertrouwensbreuk met advocaat afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6191 WIA, 16/6192 ZW, 16/6193 WW

Datum uitspraak: 11 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

15 september 2016, 15/4308, 15/5281, 15/6499 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. [naam advocaat], advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 16/5543 ZW, 16/5544 WW en

16/5708 WW, plaatsgevonden op 24 januari 2018. Appellante is verschenen, samen met haar echtgenoot [naam echtgenoot] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft op 21 december 2011 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Op het aanvraagformulier heeft zij vermeld dat zij van 1 juni 2011 tot en met 30 november 2011 in dienst is geweest van [BV] voor 40 uur per week tegen een salaris van € 2.408,32. Het Uwv heeft appellante met ingang van 1 december 2011 (bij gelijkblijvende omstandigheden uiterlijk tot en met 29 februari 2012) in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Na een ziekmelding van appellante op

28 februari 2012 en wegens zwangerschap en bevalling heeft het Uwv haar gedurende de periode van 28 februari 2012 tot en met 20 juli 2014 in aanmerking gebracht voor uitkeringen op grond van de Ziektewet (ZW) en de Wet arbeid en zorg (Wazo). Bij besluit van

14 november 2014 heeft het Uwv appellante met ingang van 12 augustus 2014 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

De politie Eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, heeft een strafrechtelijk onderzoek verricht onder de naam [naam onderzoek 1] . Het onderzoek heeft zich onder meer gericht op mogelijke uitkeringsfraude waarbij, met behulp van rechtspersonen, valse werkgeversverklaringen, en salarisspecificaties, dienstverbanden werden voorgewend. Één van de rechtspersonen waarop het onderzoek betrekking had was [BV] . Onderwerp van dit onderzoek waren naast appellante onder andere haar echtgenoot, vader en broer. De resultaten van het afgeronde onderzoek [naam onderzoek 1] zijn neergelegd in een proces-verbaal van 21 mei 2015.

1.3.

Naar aanleiding van dit strafrechtelijke onderzoek heeft het Uwv, onder de naam [naam onderzoek 2] , eveneens onderzoek verricht naar mogelijke uitkeringsfraude met gefingeerde dienstverbanden. Het Uwv heeft van het Openbaar Ministerie relevante gegevens uit het onderzoek [naam onderzoek 1] ontvangen. De resultaten van het onderzoek van het Uwv zijn voor wat betreft appellante neergelegd in een rapport van 3 juni 2015.

1.4.

Bij besluit van 25 februari 2015 (besluit I) heeft het Uwv de aan appellante toegekende WIA-uitkering per 1 maart 2015 geschorst. Bij besluit van 16 april 2015 (besluit II) heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante met ingang van 12 augustus 2014 ingetrokken.

1.5.

Bij besluit van 6 mei 2015 (besluit III) heeft het Uwv de aan appellante toegekende

ZW-uitkering over de perioden van 28 februari 2012 tot en met 24 maart 2012 en van 23 juli 2012 tot en met 20 juli 2014 en de Wazo-uitkering over de periode van 25 maart 2012 tot en met 22 juli 2012 ingetrokken. Bij besluit van 7 mei 2015 (besluit IV) heeft het Uwv deze uitkeringen tot een bedrag van in totaal € 71.640,17 van appellante teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 28 mei 2015 (besluit V) heeft het Uwv de aan appellante toegekende

WW-uitkering over de periode van 1 december 2011 tot en met 27 februari 2012 ingetrokken. Bij besluit van 5 juni 2015 (besluit VI) heeft het Uwv de aan appellante over de periode van 1 december 2011 tot en met 4 maart 2012 betaalde WW-uitkering tot een bedrag van € 4.878,88 teruggevorderd.

1.7.

Bij besluit van 22 juni 2015 (besluit VII)) heeft het Uwv de aan appellante toegekende WIA-uitkering over de periode van 12 augustus 2014 tot en met 28 februari 2015 tot een bedrag van € 13.550,32 teruggevorderd.

1.8.

Bij beslissing op bezwaar van 16 juni 2015 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen besluit I ongegrond verklaard. Bij beslissing op bezwaar van

25 augustus 2015 (bestreden besluit II) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten II, IV en V ongegrond verklaard. Bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2015 (bestreden besluit III) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen besluit VII ongegrond verklaard. De bezwaren van appellante tegen de besluiten III en VI zijn bij beslissing op bezwaar van 1 november 2016 ongegrond verklaard. Het beroep tegen dat besluit is bij uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 augustus 2017 (ECLI:NL:2017:RBGEL:2017:4431) ongegrond verklaard. Omdat appellante tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld staan de besluiten III en VI in rechte vast.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten I, II en III ongegrond verklaard.

2.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv er in is geslaagd om aan de hand van de resultaten van het onderzoek [naam onderzoek 2] aannemelijk te maken dat geen sprake was van een dienstbetrekking tussen appellante en [BV] . De rechtbank is uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden. Uit het handelsregister blijkt dat [naam echtgenoot] (echtgenoot van appellante) in de periode van 30 december 2008 tot aan het faillissement op 17 april 2012 stond geregistreerd als bestuurder en alleen en zelfstandig bevoegd directeur van [BV] en dat [naam broer] (broer van [naam echtgenoot] ) vanaf 30 december 2008 stond geregistreerd als enig aandeelhouder van [BV] . Uit de informatie van de Belastingdienst blijkt dat de omzet van [BV] in de jaren 2010 en 2011 nihil was en dat er door [BV] in 2011 en 2012 loongegevens van verschillende personen, waaronder appellante, zijn aangedragen waarvoor geen loonheffing/premie is afgedragen. Uit onderzoek naar de Raborekening ten name van [BV] blijkt dat diverse malen, kort voordat volgens de omschrijving een loonbetaling aan appellante plaatsvond, een kasstorting werd gedaan, waaronder eenmaal vanaf de rekening van appellante en drie maal vanaf de rekening van [naam broer] en dat aan appellante over de maanden juli 2011, augustus 2011 en september 2011 telkens tweemaal een bedrag onder de vermelding van “loon” is overgemaakt. Op de WIA-aanvraag heeft appellante, in afwijking van haar WW-aanvraag, ingevuld dat zij van november 2011 tot en met 31 maart 2012 voor [BV] heeft gewerkt.

2.3.

Daarnaast heeft de rechtbank verwezen naar een verhoor in verband met het onderzoek [naam onderzoek 1] op 29 januari 2015 van [naam] (broer van [naam echtgenoot] en [naam broer] ), die heeft verklaard dat voor hem door een broer tot tweemaal toe een uitkering is aangevraagd, waaronder een uitkering voor een dienstverband met [BV] , terwijl hij alleen op papier stond geregistreerd als werknemer. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de door appellante gelijktijdig verrichtte werkzaamheden als begeleidster van een gehandicapte, gelet op de omvang en het feit dat deze werkzaamheden meestal op een doordeweekse dag op een woensdag werden verricht, niet zijn te combineren met het werk zoals bepaald in de arbeidsovereenkomst met [BV] . Al deze feiten en omstandigheden, in onderling samenhang bezien, maken dat aannemelijk is dat er tussen appellante en [BV] geen sprake is geweest van een echt dienstverband, maar van een gefingeerd dienstverband. De door appellante in beroep overgelegde stukken betreffen volgens de rechtbank andere periodes en andere B.V.’s en geven geen aanleiding om af te wijken van dit oordeel. De rechtbank heeft daarnaast geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Uwv van intrekking of terugvordering had dienen af te zien op grond van dringende redenen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat wel sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen haar en [BV] en verwezen naar de in bezwaar en beroep ingediende gronden. Het Uwv moet volgens appellante bewijzen dat sprake was van een fictief dienstverband. Daarvoor moet vaststaan dat er geen loonwaardige werkzaamheden zijn verricht. Het Uwv heeft niet aangetoond dat in het geheel niet is gewerkt.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Door appellante is op 22 januari 2018 verzocht om uitstel van de inhoudelijke behandeling ter zitting van zijn zaak, omdat zij geen advocaat meer heeft. Op dezelfde dag heeft gemachtigde mr. [naam advocaat] de Raad bericht dat hij niet beschikt over aanvullende informatie die hij ter zitting kan inbrengen, dat appellante daarmee bekend is, en dat hij niet bij de zitting aanwezig zal zijn. Later op die dag heeft mr. [naam advocaat] de Raad bericht dat [naam echtgenoot] namens appellante aan zijn kantoor heeft bericht dat appellante wenst dat hij vanaf heden 16.30 uur niet langer als haar advocaat optreedt. Tijdens de zitting bij de Raad heeft [naam echtgenoot] een machtiging overgelegd om namens appellante op te treden tijdens de zitting. Appellante is tijdens de zitting in de gelegenheid gesteld om het verzoek om uitstel toe te lichten. Reden van het verzoek is dat er een vertrouwensbreuk is ontstaan met mr. [naam advocaat], omdat deze heeft geweigerd om processen-verbaal van (nieuwe) getuigenverhoren in een lopende strafzaak in deze procedure in te dienen. Omdat deze getuigenissen een ander licht werpen op deze zaak is er volgens appellante aanleiding om de zitting uit te stellen.

4.2.

Het verzoek is ter zitting afgewezen. Appellante is op 15 december 2017 uitgenodigd voor de behandeling van haar zaak en heeft pas twee dagen voor de zitting om uitstel gevraagd. Een aantal getuigenverklaringen was al in het bezit van mr. [naam advocaat]. Hij heeft appellante begin december 2017 gezegd geen meerwaarde te zien om deze in te dienen. Appellante heeft daaraan vervolgens geen consequenties verbonden. Appellante heeft voorts niet onderbouwd welke getuigen en welke aspecten voor haar zaak van belang zouden kunnen zijn. Ook heeft zij geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in deze procedure zelf getuigen voor te dragen. De zaak is vervolgens inhoudelijk behandeld ter zitting.

4.3.

Voor het toepasselijke wettelijke kader en een weergave van de relevante rechtspraak wordt verwezen naar overwegingen 4 en 6 tot en met 8 van de aangevallen uitspraak.

4.4.

In geschil is de intrekking van de WW-uitkering over de periode van 1 december 2012 tot en met 27 februari 2012 en de intrekking en de terugvordering van de WIA-uitkering over de periode van 12 augustus 2014 tot en met 28 februari 2015. De vraag die moet worden beantwoord is of het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante niet werkzaam is geweest in dienst van [BV] en dus niet verzekerd was voor de WW en de Wet WIA. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord dient appellante aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij desondanks toch vanaf 1 juni 2011 tot en met 30 november 2011 in dienst van [BV] heeft gewerkt.

4.5.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak aan de hand van de onderzoeksgegevens uit het rapport [naam onderzoek 2] uitvoerig gemotiveerd waarom het standpunt van het Uwv wordt gevolgd dat sprake was van een gefingeerd dienstverband tussen appellante en [BV] . Niet is gebleken dat de door de rechtbank weergegeven feiten onjuist zijn. Appellante heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat een ander licht werpt op de zaak. De overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. Er is dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) H. Achtot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

UM