Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1041

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
16/3811 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2608, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering op goede gronden beëindigd. De uit zijn psychische klachten voortvloeiende beperkingen zijn niet onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3811 ZW

Datum uitspraak: 11 april 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 april 2016, 15/1657 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.E.M. Edelmann, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.E. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker voor 35 uur per week. Op 29 oktober 2013 heeft hij zich ziek gemeld met depressieve klachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een arts van het Uwv appellant op 1 oktober 2014 gezien. Nadat deze arts informatie uit de behandelend sector had opgevraagd, heeft zij op 3 november 2014 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vastgesteld. Daarin zijn de beperkingen van appellant weergegeven. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten en heeft vervolgens drie functies geselecteerd. Op basis van deze functies heeft hij berekend dat appellant nog 82,27% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 19 november 2014 vastgesteld dat appellant vanaf 20 december 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 11 februari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. In beroep heeft appellant nadere informatie ingebracht uit de behandelend sector, waaronder een verklaring van 10 oktober 2015 van zijn behandelend klinisch psycholoog

dr. A. van Dam, werkzaam bij de Geestelijke Gezondheidszorg Westelijk Noord-Brabant (GGZ WNB). Op verzoek van de rechtbank heeft het Uwv nadien nogmaals informatie ingewonnen bij deze psycholoog, welk verzoek heeft geleid tot een verklaring van deze psycholoog van 17 november 2015. Op de door appellante ingebrachte medische informatie heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd met rapporten van 22 oktober 2015 en 26 november 2015.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft ingesteld. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsartsen niet te geringe beperkingen bij appellant hebben vastgesteld. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geschikt moet worden geacht voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies en dat appellant op basis van de inkomsten uit deze functies minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft daarom de ZW-uitkering op goede gronden beëindigd.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de uit zijn psychische klachten voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Daarbij heeft hij verwezen naar een door hem overgelegde verklaring van dr. Van Dam van 10 juni 2016, waarin onder meer is gesteld dat appellant een verwarde indruk maakt en zijn agressie niet goed onder controle heeft en dat hij van 22 januari 2015 tot en met 12 februari 2015 opgenomen is geweest op de [afdeling] van het [naam ziekenhuis] .

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

5.2.

Op grond van zijn psychische klachten is appellant, naast de reeds als gevolg van zijn hartklachten vastgestelde beperkingen voor werk met deadlines en werk met verhoogd persoonlijk risico, beperkt geacht voor conflicthantering, samenwerken, contact met klanten en patiënten. Tevens is hij als gevolg van deze klachten aangewezen op een voorspelbare werksituatie en dient hij te kunnen terugvallen op een directe collega/leidinggevende. Op grond van de beschikbare medische gegevens kunnen deze beperkingen niet voor onjuist worden gehouden. In de FML zijn geen beperkingen opgenomen in verband met de gestelde verwardheid en agressie bij appellant en dat wordt niet onjuist geacht. Daartoe wordt overwogen dat een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant onderscheidenlijk op 1 oktober 2014 op 8 januari 2015 hebben gezien en bij appellant op die momenten geen verwardheid en agressie hebben geconstateerd. Ook in de verklaring van

13 oktober 2014 van de psycholoog S. Backs van de GGZ WNB, die een verzekeringsarts bij het opstellen van de FML in haar beoordeling heeft betrokken, wordt daarvan geen melding gemaakt. Pas in de bovengenoemde verklaringen van Van Dam is er sprake is van een verslechterde psychische conditie bij appellant als gevolg van (toenemende) verwardheid en agressie maar aangezien deze verklaringen dateren van geruime tijd na de datum in geding, heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om ten tijde hier in geding op grond van deze symptomen beperkingen aan te nemen. Ook de voormelde opname van appellant op de [afdeling] van het [naam ziekenhuis] is voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding geweest om meer beperkingen aan te nemen. Ook hierin kan deze arts worden gevolgd, nu deze opname heeft plaatsgevonden ruim een maand na de datum in geding en de bedoeling van deze opname is geweest om de medicatie van appellant goed in te stellen en om appellant te observeren en een diagnose te stellen ten einde vast te stellen of de traumabehandeling kan worden gecontinueerd. Het vorenstaande betekent dat appellant niet wordt gevolgd in zijn stelling dat de uit de psychische klachten voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) S.L. Alves

OS