Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1038

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
16/1062 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. Medische onderzoeken voldoende zorgvuldig. Voldoende beperkingen opgenomen in de FML. Geen twijfel aan het oordeel van de verzekeringsarts. Inzichtelijke en toereikend gemotiveerd waarom de resterende functies – met inachtneming van de daarin voorkomende signaleringen – voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1062 WIA

Datum uitspraak: 29 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

30 december 2015, 15/680 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Goudkade hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 mei 2017 heeft mr. Goudkade zich als gemachtigde teruggetrokken.

Appellant heeft nadere stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.

OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft gedurende 37,85 uur per week als operator gewerkt. Op 10 oktober 2012 heeft hij zich ziek gemeld. Een verzekeringsarts heeft appellant op 7 juli 2014 onderzocht en een rapport en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Op 11 augustus 2014 heeft de arbeidsdeskundige met appellant gesproken en een rapport opgesteld, waarin hij heeft geconcludeerd dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van

20 augustus 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 8 oktober 2014 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat appellant met ingang van die dag minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van

15 januari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit zijn rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 december 2014 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 januari 2015 ten grondslag gelegd.

2.1.

De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 september 2015 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 september 2015 zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft gewijzigd, zodat het beroep gegrond is. De rechtbank heeft daarom het bestreden besluit vernietigd omdat het is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.2.

De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft onvoldoende grond gezien voor het oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen uiteindelijk niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de medische rapporten. De rechtbank heeft geconcludeerd dat met het in beroep overgelegde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 september 2015, een deugdelijke medische grondslag voor het bestreden besluit tot stand is gekomen. De rechtbank heeft ook geconcludeerd dat met de in beroep overgelegde rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een deugdelijke arbeidskundige grondslag voor het bestreden besluit tot stand is gekomen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht de aanvraag van appellant om een WIA-uitkering heeft afgewezen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep onverminderd aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische klachten bij het opstellen van de FML van 4 september 2015. Hij acht zich dan ook niet in staat de hem voorgehouden werkzaamheden te verrichten. Hij heeft ter zitting gewezen op zijn klachten ten gevolge van een nekhernia en zijn medicijngebruik.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, wijkt niet af van de gronden die in eerste aanleg naar voren zijn gebracht.

4.2.

De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank en het daarop gebaseerde oordeel. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de medische onderzoeken door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig zijn geweest en overigens ook voldoen aan de eisen die aan dergelijke onderzoeken worden gesteld. Alle voorhanden en relevante medische gegevens zijn in voldoende mate betrokken bij de beoordeling van de bij appellant bestaande beperkingen zoals vermeld in de in beroep aangepaste FML van 4 september 2015. In deze FML zijn beperkingen opgenomen op de items werk met een verhoogd persoonlijk risico, trillingsbelasting, duwen of trekken en tillen of dragen, frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk, frequent zware lasten hanteren tijdens het werk, hoofdbewegingen maken, klimmen, boven schouderhoogte actief zijn en het hoofd in een bepaalde stand houden tijdens het werk. In het rapport van

1 september 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de FML van 4 september 2015 een weerslag is van de beperkingen die appellant ondervindt bij het verrichten van arbeid. Hierbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook de hernia en het medicijngebruik betrokken, in verband waarmee is bepaald dat appellant is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. Ook in hoger beroep heeft appellant tegenover het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen gegevens ingebracht die aanleiding geven tot twijfel aan het oordeel van die verzekeringsarts. De van de huisarts verkregen informatie bevat geen wezenlijk nieuwe medische informatie.

4.3.

Omdat de verzekeringsarts de in eerste instantie opgemaakte FML heeft aangevuld, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een van de oorspronkelijk voorgehouden voorbeeldfuncties laten vervallen. Echter resteren er – uitgaande van de juistheid van de nader opgestelde FML – nog voldoende functies om de schatting op te baseren. De arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben op inzichtelijke en toereikende wijze gemotiveerd waarom de resterende functies – met inachtneming van de daarin voorkomende signaleringen – voor appellant geschikt zijn.

4.4.

Gelet op wat onder 4.2 en 4.3 is overwogen, dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen plaats, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

29 maart 2018.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

OS