Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1032

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
14/6008 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om een herbeoordeling van recht op een WAO-uitkering terecht afgewezen. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Voorts kan de Raad zich verenigen met het oordeel van de rechtbank over de toepassing van artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO en het recht op een WAO-uitkering over de periode ná de in dit artikellid vermelde termijn van vijf jaar. De overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht, worden geheel onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 6008 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

1 oktober 2014, 13/7239 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 april 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest bij een plasticfabriek. In 1991 is hij uitgevallen wegens duizeligheid, hoofdpijn en rugklachten. Sinds 1992 is er ook sprake van psychische klachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd is bij besluit van 23 mei 2008 vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is geacht. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 maart 2010 ongegrond verklaard. Na beroep en hoger beroep is dit besluit in rechte komen vast te staan.

1.2.

Omdat zijn gezondheid is verslechterd heeft appellant met een brief van 1 juni 2013 verzocht om een herbeoordeling van zijn recht op een WAO-uitkering. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant verklaringen van 6 mei 2013 van een arts-specialist overgelegd.

1.3.

Bij besluit van 19 september 2013 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 november 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zodat het Uwv in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde bevoegdheid om te weigeren terug te komen van het besluit van 23 mei 2008. De door appellant bij zijn verzoek overgelegde medische verklaring van 6 mei 2013 kan niet als zodanig worden aangemerkt. Over de door appellant in beroep ingebrachte medische informatie heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad, overwogen dat deze niet bij de beoordeling of er sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden kan worden betrokken. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat, voor zover appellant met zijn verzoek heeft bedoeld om met toepassing van artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO in aanmerking te komen voor een uitkering, dit artikellid toepassing mist omdat appellant bij de beoordeling die heeft geleid tot het besluit van 23 mei 2008 niet ongeschikt is geacht voor zijn eigen werk. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat, voor zover appellant met zijn verzoek heeft bedoeld om ná de in het voormelde artikellid bedoelde termijn van vijf jaar in aanmerking te komen voor een uitkering, dit verzoek eveneens terecht is afgewezen omdat appellant op dat moment niet meer verzekerd is voor de WAO.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat zijn verzoek ten onrechte is afgewezen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.1.

Voor zover appellant heeft verzocht om terug te komen van het besluit van 23 mei 2008 wordt overwogen dat de Raad met zijn uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) zijn rechtspraak over de toetsing van de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit heeft gewijzigd.

4.2.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich bij het bestreden besluit terecht, zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115)

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en omstandigheden worden verstaan feiten en omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten en omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant bij zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in voormelde zin heeft vermeld. Het oordeel van de rechtbank dat de overgelegde medische verklaring van 6 mei 2013 niet als zodanig kan worden aangemerkt omdat deze niet ziet op de voor dit geding relevante periode wordt onderschreven. Ook anderszins heeft appellant geen argumenten naar voren gebracht die als nieuwe of veranderde omstandigheden kunnen worden aangemerkt. Wat de rechtbank heeft overwogen over de door appellant in beroep overgelegde medische informatie wordt eveneens onderschreven. In wat appellant heeft aangevoerd wordt verder geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.5.

Voorts kan de Raad zich verenigen met het oordeel van de rechtbank over de toepassing van artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO en het recht op een

WAO-uitkering over de periode ná de in dit artikellid vermelde termijn van vijf jaar. De overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht, worden geheel onderschreven.

4.6.

Gelet op de overwegingen in 4.1 tot en met 4.5 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) S.L. Alves

OS