Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1019

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2018
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
16/2240 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-loonaanvullingsuitkering juist vastgesteld. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag. Protocol Chronisch hartfalen. Rijgeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2240 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
2 maart 2016, 15/2724 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 29 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.P. Sholeh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingezonden. Appellante heeft hierop gereageerd.

Het Uwv heeft vervolgens een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2018. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Sholeh. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is voltijds werkzaam geweest als [naam functie]. Zij heeft zich op 20 mei 2008 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Met ingang van
18 mei 2010 heeft het Uwv haar in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde
WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij is vastgesteld dat appellante volledig arbeidsongeschikt is. De WIA-uitkering is voortgezet als een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is gebleven.

1.2.

Appellante heeft van 16 mei 2011 tot en met 20 januari 2012 gewerkt als customer service representative voor 40 uur per week en per 1 februari 2012 als secretaresse voor 38 uur per week. Haar inkomsten zijn in mindering gebracht op haar WIA-uitkering. Op
26 december 2012 heeft appellante zich ziek gemeld met toegenomen hartproblemen en depressieve klachten. Zij is ziek uit dienst gegaan en is aansluitend tot en met
23 december 2014 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Ziektewet.

1.3.

Op 18 september 2014 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. In verband hiermee heeft een arts van het Uwv onderzoek verricht. Op basis van dit onderzoek heeft de arts op 10 november 2014 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarbij hij rekening heeft gehouden met beperkingen op energetisch, fysiek en psychisch gebied in verband met depressieve klachten van appellante, cardiomyopathie en hypertensie. Appellante is beperkt geacht voor hoge werkdruk, deadlines en conflicthantering. Zij is aangewezen op werk waarbij het hart niet zwaar wordt belast. Wegens de ernst van haar hartklachten en haar slaapstoornis is een urenbeperking tot twintig uur per week en vier uur per dag aangenomen. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 1 december 2014 het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante per 1 december 2014 (datum in geding) vastgesteld op 54,53. De hoogte van haar WGA-loonaanvullingsuitkering is ongewijzigd.

1.4.

Bij besluit van 1 april 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 1 december 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. In zijn rapport van 9 maart 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat appellante niet voldoet aan de criteria om aan te kunnen nemen dat er geen benutbare mogelijkheden zijn. Bij onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor duidelijke cognitieve problematiek. Ook zijn geen symptomen van een evidente depressieve stoornis gezien. Uit de beschikbare informatie van onder meer cardioloog dr. J.M. Schroeder-Tanka is niet af te leiden dat de hartproblematiek wezenlijk verslechterd of onstabiel is. De hartfunctie van appellante blijft verminderd, maar is op het niveau van de periode 2011-2012, toen zij werkte. Rekening houdend met de matige inspanningstolerantie van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de energetische component van de belastbaarheid geaccentueerd door aanvullende beperkingen in een FML van 9 maart 2015 op te nemen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens de functies telefonist, receptionist (SBC-code 315120), besteller post/pakketten (auto) (SBC-code 282102) en chauffeur personenbusje, directiechauffeur (SBC-code 111241) geselecteerd, waarna het arbeidsongeschiktheidspercentage onveranderd op 54,53 is vastgesteld.

2.1.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en zich op het standpunt gesteld dat het Uwv haar ten onrechte niet in aanmerking heeft gebracht voor een
IVA-uitkering. Op 15 oktober 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onder meer gerapporteerd in het beroep aanleiding te hebben gezien om in de FML alsnog beperkingen op te nemen op de aspecten 3.2 en 3.5. Onderzoek van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens uitgewezen dat deze aanvulling geen gevolgen had voor de voor appellante in aanmerking te nemen mate van arbeidsongeschiktheid. Ter nadere onderbouwing van de door appellante gestelde psychische beperkingen heeft zij op 4 december 2015 een brief van psycholoog/psychotherapeut dr. F. Moreno en een brief van psycholoog/psychotherapeut
drs. A.G. van den Ende van 18 december 2015 overgelegd. Uit deze brieven komt naar voren dat appellante zich onder behandeling heeft gesteld wegens een ernstig depressief beeld in het kader van een PTSS, gepaard gaande met slaapproblematiek, nachtmerries, flash-backs, lichamelijke pijnen, eetlustverlies, overgevoeligheid voor geluiden en psychovegetatieve verschijnselen. Naar aanleiding hiervan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op

8 januari 2016 gerapporteerd dat deze medische stukken geen aanwijzingen bevatten dat per datum in geding sprake is geweest van een ernstige psychiatrische stoornis met ernstige beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Evenmin komt uit deze informatie ernstige psychopathologie naar voren. Ook blijkt niet dat de gestelde stemmingsklachten tot een geïntensiveerde behandeling hebben geleid of dat een intensieve dagbehandeling ingezet werd. Evenmin blijkt dat appellante gebruik heeft gemaakt van antidepressiva.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat er op grond van haar psychische klachten meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Met de beschreven klachten is rekening gehouden, terwijl het klachtenbeeld dat behandelend psycholoog/psychotherapeut Moreno heeft geschetst nog niet aanwezig was ten tijde van de medische beoordeling door het Uwv. Uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat deze arts het protocol Chronisch hartfalen heeft toegepast. Het Uwv heeft zich op deze rapporten mogen baseren. Dat appellante beperkt moet worden geacht op het aspect “vervoer” is niet af te leiden uit de Regeling eisen geschiktheid 2000. Dat zij dusdanige bijwerkingen van haar medicijnen ondervindt, heeft zij onvoldoende onderbouwd. Verder is uit de verstrekte informatie van de orthopeed niet af te leiden dat appellante al op de datum in geding een hernia had. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd waarom de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geduide functies in medisch opzicht passend zijn.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het Uwv haar met ingang van de datum in geding ten onrechte niet in aanmerking heeft gebracht voor een IVA-uitkering. Zij heeft, onder verwijzing naar de beroepsgronden, naar voren gebracht dat geen sprake is geweest van een concludent en zorgvuldig onderzoek en dat de FML van 9 maart 2015, zoals op

14 oktober 2015 aangepast, niet juist is vastgesteld, omdat haar psychische klachten, de klachten die voortkomen uit haar slaapproblemen en haar rugklachten door het Uwv zijn onderschat. Deze klachten houden mede verband met het hartfalen van appellante. In strijd met het protocol Chronisch hartfalen en het zorgvuldigheidsbeginsel hebben de artsen van het Uwv geen informatie ingewonnen over de VO2-max belastbaarheid van appellante. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt opnieuw verwezen naar de verklaringen van Van den Ende en Moreno en aangevoerd dat zij al bij de verzekeringsarts melding had gemaakt van klachten die duiden op de slaapapneu en hernia, die later door een longarts en een orthopeed zijn vastgesteld en die voor het Uwv aanleiding hebben gegeven haar per 8 september 2015 volledig arbeidsongeschikt te achten. Op basis waarvan ook op de datum in geding verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Ook is appellante van mening dat de door het Uwv voor haar geselecteerde functies niet passend zijn. Zij is door haar hart- en apneuproblemen beperkt voor rijvaardigheid. Zij beschikt niet over een noodzakelijk specialistisch rapport voor patiënten in NYHA klasse II. Daardoor zijn twee functies, waarin het noodzakelijk is om beroepsmatig te chauffeuren, niet geschikt voor appellante. Wegens de inmiddels vastgestelde slaapapneu is zij met ingang van 8 september 2015 ook door het Uwv niet langer geschikt geacht voor functies waarin zij beroepsmatig moet autorijden.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de uitspraak van de rechtbank, voor zover die is bestreden, te bevestigen. Appellante heeft geen nieuwe medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het Uwv haar beperkingen op de datum in geding heeft onderschat. Met de door appellante ingebrachte medische verklaringen van haar behandelaars is rekening gehouden, terwijl volgens het Uwv ook verder een volledig en zorgvuldig onderzoek is verricht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken van het Uwv onzorgvuldig zijn geweest, mede gelet op de onder 1.3 en 1.4 genoemde onderzoeksactiviteiten. Bij het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is rekening gehouden met het protocol Chronisch hartfalen. In dat protocol is vermeld dat de verzekeringsarts in ieder geval beschikt over informatie over de VO2-max, met dien verstande dat bij cliënten die ingedeeld zijn in NYHA-klasse I en II en bij wie geen VO2-max voorhanden is, kan worden volstaan met de belastbaarheid in watt. Dit laat onverlet, dat het protocol een hulpmiddel is voor de verzekeringsarts ter ondersteuning van de verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming. De verzekeringsartsen van het Uwv hadden de beschikking over relevante medische gegevens, inclusief informatie van de behandelend cardioloog. Deze informatie uit de curatieve sector ziet onder meer op de resultaten van een fietstest, de linker ventrikel ejectiefractie (LVEF) en op het beloop van de aandoening, waarbij uit de brief van de cardioloog van 13 januari 2015 is afgeleid dat de cardiale situatie rond de datum in geding stabiel is, dat de linkerventrikelfunctie licht is gestegen naar 39% en dat het elektrocardiogram geen ritmestoornissen laat zien. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verzekeringsartsen aldus op zorgvuldige en voldoende inzichtelijke wijze tot hun standpunt zijn gekomen. De door appellante genoemde uitspraak van de Raad van

6 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2714 leidt niet tot een ander oordeel, omdat die uitspraak ziet op een ander feitencomplex met een ander ziektebeeld en een ander protocol.

4.2.

Wat appellante verder in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, is in grote lijnen een herhaling van de gronden die zij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken en voldoende gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat appellante – ook met de brieven van Moreno van 11 november 2015 en de brief van Van den Ende van
18 december 2015 – onvoldoende heeft onderbouwd dat het Uwv in verband met haar psychische klachten meer beperkingen had moeten aannemen. De rechtbank heeft dit oordeel navolgbaar gemotiveerd. De rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht gevolgd in haar reactie dat de enkele kwalificatie van de depressieve klachten als matig-ernstig door Van den Ende niet maakt dat ten tijde in geding sprake was van een ernstige psychiatrische stoornis met ernstige beperkingen in het persoonlijke en sociaal functioneren, terwijl uit de brief van Van den Ende ook geen ernstige psychopathologie naar voren komt. Het klachtenbeeld dat Moreno beschrijft was bij de onderzoeken door de verzekeringsartsen van het Uwv nog niet aanwezig. In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe gegevens ingebracht die doen twijfelen aan het oordeel van de rechtbank. Dit geldt ook voor de hartklachten. Eveneens terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat zij als gevolg van haar hartklachten en wegens de bijwerkingen van haar medicijnen niet kan autorijden. Dat appellante zou moeten beschikken over een specialistisch rapport om te beoordelen of zij als hartpatiënt en patiënt met slaapapneu geschikt is om auto te rijden wordt niet gevolgd, omdat de slaapapneu pas eind 2016 is vastgesteld. Verder is niet bestreden dat appellante over een rijbewijs beschikt en nog niet is onderworpen aan een (nieuwe) beoordeling van haar rijgeschiktheid. Dat appellante op datum in geding in verband met haar aandoeningen niet beroepsmatig kon chauffeuren is ook verder niet gebleken. Dat appellante met ingang van 8 september 2015 volledig arbeidsongeschikt is geacht en met ingang van 22 augustus 2016 in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering doet hier niet aan af, omdat de beoordelingen die hieraan ten grondslag liggen van latere datum zijn. Ten tijde van die beoordelingen was vastgesteld dat appellante een slaapstoornis in de vorm van apneu en een hernia had. Dat appellante klachten die verband zouden kunnen houden met de later vastgestelde hernia en apneu al heeft gemeld tijdens de onderzoeken die ten grondslag hebben gelegen aan het bestreden besluit betekent niet dat vaststaat dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen. Daarbij wordt betrokken dat zowel de arts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep een lichamelijk en oriënterend psychiatrisch onderzoek hebben verricht.

5. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en
D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2018.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) R.H. Budde

SS