Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
16/1438 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing laattijdige aanvraag. De aanspraken van appellant, nu hij geboren is in 1976, dienen beoordeeld te worden aan de hand van de AAW. Geen sprake van onzorgvuldig medisch onderzoek. De arbeidsdeskundige heeft ... per geselecteerde functie uiteengezet waarom deze in voldoende mate tegemoetkomen aan de vastgestelde beperkingen. Het bewijsrisico bij een laattijdige aanvraag ligt bij de aanvrager.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1438 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

13 januari 2016, 15/2050 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1976, heeft op 3 september 2014 een aanvraag om arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) bij het Uwv ingediend.

1.2.

Bij besluit van 16 september 2014 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant na zijn achttiende verjaardag meer dan een jaar gewerkt heeft en daarmee ten minste het wettelijk minimumloon heeft verdiend. Aan dit besluit ligt een rapport van een arbeidsdeskundige ten grondslag, waarin is vermeld dat appellant van 1 november 2008 tot

31 mei 2013 fulltime werkzaam is geweest, waardoor hij in staat wordt geacht op de beoordelingsdatum 29 december 2014 meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.3.

In bezwaar heeft appellant er onder meer op gewezen dat hij als gevolg van het syndroom van Asperger, welke diagnose in 2010 bij hem is gesteld, in een werksituatie een langere inwerkperiode nodig heeft. Als hij eenmaal is ingewerkt, dan functioneert hij goed.

1.4.

Omdat nog geen verzekeringsgeneeskundig onderzoek had plaatsgevonden, heeft een verzekeringsarts alsnog een medisch onderzoek verricht. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag is daarbij vastgesteld op de datum van de zeventiende verjaardag. De belastbaarheid van appellant, geldend vanaf zeventien-/achttienjarige leeftijd en vanaf de datum van mogelijke ingang van de arbeidsondersteuning, is vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 december 2014. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd waarvan appellant tot het vervullen in staat is geacht.

1.5.

Bij besluit van 4 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 februari 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 februari 2015 ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft het Uwv desgevraagd nader toegelicht dat de aan appellant voorgehouden functies ook rond zijn zeventiende en achttiende levensjaar bestonden.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe allereerst met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111, overwogen dat de aanvraag van appellant inhoudelijk beoordeeld dient te worden aan de hand van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de aanvraag, gelet op de bepalingen van de AAW, terecht is afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hebben verricht. De rechtbank heeft in de beroepsgronden geen aanleiding gezien om het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de door hem onderschreven FML niet tot uitgangspunt te nemen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 24 september 2015 gemotiveerd gesteld dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde – of soortgelijke – functies ook op en rond de zeventien-/achttienjarige leeftijd van appellant algemeen op de arbeidsmarkt voorkwamen. In het rapport van 30 december 2014 is verder voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies binnen de beperkingen van appellant vallen en dat appellant rond deze leeftijd de noodzakelijke begeleiding in deze functies kon ontvangen. Omdat het Uwv de aanvraag heeft beoordeeld op grond van de Wajong 2010 berust het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag. Hierin heeft de rechtbank aanleiding gezien het bestreden besluit te vernietigen en de rechtsgevolgen ervan in stand te laten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Appellant heeft gesteld dat zijn medische problematiek is onderschat. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief van psycholoog A. van der Veen van 30 september 2016 ingezonden. Daarnaast is gesteld dat appellant van jongs af aan rugproblemen heeft.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en benadrukt dat het Uwv bij een laattijdige aanvraag als hier aan de orde kan volstaan met het aannemelijk maken dat de geselecteerde functies destijds op de arbeidsmarkt voorkwamen, zonder dat exacte gegevens over bijvoorbeeld het aantal arbeidsplaatsen kenbaar hoeven te worden gemaakt. Tevens is een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 november 2016 ingezonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht, met een verwijzing naar de onder 2.2 genoemde rechtspraak van de Raad, geoordeeld dat de aanspraken van appellant, nu hij geboren is in 1976, beoordeeld dienen te worden aan de hand van het bepaalde in de AAW.

4.2.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

4.3.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, heeft recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag dat hij zeventien jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.

4.4.

Er bestaat geen aanleiding om te oordelen dat de door de verzekeringsartsen bezwaar en beroep van het Uwv verrichte medische onderzoeken onzorgvuldig zijn geweest. De verzekeringsartsen hebben kennisgenomen van de in 2010 bij appellant gestelde diagnose Asperger en hebben appellant daarnaast psychisch onderzocht. Bij appellant zijn vervolgens beperkingen aangenomen in de rubrieken ˈPersoonlijk en Sociaalˈ functioneren. Appellant is beperkt geacht voor omgevingsdruk, tempo, samenwerken en omgaan met collega’s en hij is aangewezen geacht op toezicht en begeleiding naar het laagste begeleidingsniveau. Hij is in staat geacht eenvoudige handelingen zelf uit te voeren. Zolang de werkzaamheden volgens een vast patroon worden verricht, worden geen problemen verwacht. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsartsen bezwaar en beroep hiermee de bij appellant ten tijde van zijn zeventiende en achttiende verjaardag bestaande beperkingen hebben onderschat. Appellant heeft zijn – eerst in hoger beroep ingenomen – stelling dat hij rond zijn zeventiende en achttiende levensjaar ook wegens rugklachten beperkt is te achten, niet onderbouwd met medische gegevens van een ter zake deskundige.

4.5.

De arbeidsdeskundige heeft vervolgens per geselecteerde functie uiteengezet waarom deze in voldoende mate tegemoetkomen aan de vastgestelde beperkingen. In de functies is sprake van eenvoudige handelingen die in een vast patroon worden verricht. Bij veranderingen of problemen kan om hulp gevraagd worden of kan men hulp aangeboden krijgen. Er is weinig tot geen afleiding in een voorspelbare werksituatie met routinematige werkzaamheden. Van een hoog handelingstempo of veelvuldige productiepieken is geen sprake. Gelet op deze toelichting van de arbeidsdeskundige is er geen aanleiding voor het oordeel dat appellant niet in staat zou zijn de geselecteerde functies te vervullen.

4.6.

Voor zover meer exacte gegevens over de gezondheidssituatie van appellant rond zijn zeventiende/achttiende verjaardag ontbreken wordt erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraken van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240, en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011: BQ6477) het bewijsrisico dat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager ligt.

4.7.

De rechtbank wordt ten slotte gevolgd in het oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft toegelicht dat de voorgehouden functies ook rond het zeventiende en achttiende levensjaar van appellant op de arbeidsmarkt voorkwamen. Gelet op het feit dat appellant zijn aanvraag meer dan 20 jaar na zijn zeventiende en achttiende verjaardag heeft ingediend kan hij niet worden gevolgd in zijn stelling dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gehouden zou zijn tevens aannemelijk te maken dat aan de geselecteerde functies destijds – bezien vanuit de toenmalige AAW-bepalingen – voldoende arbeidsplaatsen verbonden waren. Het risico dat specifieke arbeidskundige gegevens van de voorgehouden functies rond de datum in geding door het tijdsverloop niet (meer) exact kunnen worden aangetoond, ligt ook hier bij appellant.

4.8.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2018.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) M.A.A. Traousis

UM