Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:1000

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
06-04-2018
Zaaknummer
17/6265 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling. Appellante is van mening dat de grondslag voor het intrekken van haar WIA-uitkering echter niet de geschiktheid voor de geselecteerde functies zou moeten zijn, maar de geschiktheid voor haar maatgevende functie. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft ... inzichtelijk gemotiveerd dat appellante ongeschikt is voor de functie van medewerker A&I omdat daarin (onder meer) sprake is van conflicthantering en veelvuldig klantencontact. Ten tijde van haar uitval op 3 juni 2013 was appellante ten gevolge van een reorganisatie al geruime tijd niet meer werkzaam in de oorspronkelijk door haar uitgeoefende functie van administratief medewerker, zodat die functie niet langer als maatgevende arbeid valt aan te merken. Daarnaast was in de functie sprake van conflicthantering en veelvuldige klantencontacten, zodat appellante voor die functie evenmin geschikt is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6265 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

3 augustus 2017, 16/10364 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 april 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.D. van Alphen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Alphen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft zich in 2009 ziek gemeld voor haar werkzaamheden van administratief medewerkster voor 35,86 uur per week bij [naam werkgever]. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per einde wachttijd, 18 september 2011, geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij met inachtneming van haar beperkingen in staat is haar eigen werk te verrichten.

1.2.

Op 3 juni 2013 heeft appellante zich ziek gemeld voor de door haar vanaf 1 januari 2013 bij [naam werkgever] verrichte werkzaamheden van medewerker advies en informatie (A&I). Bij besluit van 28 mei 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat met ingang van 3 juni 2013 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 63,97%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante wegens toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na einde wachttijd ongeschikt is voor het oorspronkelijke werk van administratief medewerker en voor de functie van medewerker A&I, maar geschikt is voor diverse andere voor haar geselecteerde functies. De loongerelateerde WGA-uitkering is met ingang van 3 januari 2015 omgezet in een WGA-vervolguitkering.

1.3.

Van 19 januari 2016 tot 21 maart 2016 heeft appellante op basis van een proefplaatsing als medewerker administratief ondersteuner gewerkt.

1.4.

In het kader van een professionele herbeoordeling heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 2 mei 2016 nog steeds ongeschikt is voor het werk van administratief medewerker en de functie van medewerker A&I, maar geschikt is voor passende functies op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%. Bij besluit van 10 mei 2016 heeft het Uwv het recht op uitkering ingevolge de Wet WIA met ingang van 11 juli 2016 (datum in geding) beëindigd.

1.5.

In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat het Uwv te veel beperkingen heeft aangenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 april 2016 en dat zij geschikt is voor de maatgevende arbeid. Steun voor dat standpunt ziet appellante in een brief van de psycholoog Z. Aazam van 12 mei 2016.

1.6.

Bij besluit van 23 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 mei 2016 ongegrond verklaard. Daaraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanleiding bestaat de medische beoordeling door het Uwv voor onjuist te houden. Verder heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv onderschreven dat appellante gezien haar beperkingen niet in staat is het werk van administratief medewerker te vervullen, met name wegens de voorkomende klantcontacten. Ook in de huidige functie van medewerker A&I is nog steeds sprake van veelvuldige klantencontacten. Het in het kader van re-integratie bij de [afdeling A] verrichte werk van administratief ondersteuner is niet te zien als eigen werk, omdat het een informele, niet zelfstandige functie betrof zonder eigen beslisbevoegdheid.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar psychische belastbaarheid door het Uwv niet juist is ingeschat. Zij is van mening dat de grondslag voor het beëindigen van haar WIA-uitkering zou moeten zijn dat zij op en na 11 juli 2016 geschikt is voor de maatgevende arbeid. Als haar arbeid zou moeten worden aangemerkt de functie van administratief medewerker met de huidige belasting, zonder rechtstreeks klantencontact, de functie van medewerker A&I met inmiddels planbare klantencontacten en/of de functie van medewerker administratief ondersteuner.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante per 11 juli 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en zij op grond hiervan geen recht meer heeft op een WIA-uitkering. Appellante is van mening dat de grondslag voor het intrekken van haar WIA-uitkering echter niet de geschiktheid voor de geselecteerde functies zou moeten zijn, maar de geschiktheid voor haar maatgevende functie bij [naam werkgever]. Het Uwv heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellante op en na 11 juli 2016 ongeschikt was voor de maatgevende functie van administratief medewerker, de functie van medewerker A&I, dan wel de functie van administratief ondersteuner.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit bevestigd. Bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellante heeft het Uwv rekening gehouden met de gezondheidssituatie van appellante, zoals die bij het medisch onderzoek op 6 april 2016 en uit de overige medische gegevens naar voren is gekomen. Op basis van die bevindingen is appellante beperkt geacht voor veelvuldige deadlines, conflicthantering en veelvuldig klantencontact. De door appellante overgelegde brief van de behandelend psycholoog van 12 mei 2016 is terecht niet in tegenspraak bevonden met de verzekeringsgeneeskundige beoordeling, omdat in die brief weliswaar melding wordt gemaakt van een eerdere grotendeelse remissie van de depressieve en angststoornis en een goede weg naar herstel, maar tevens van een recente toename van klachten en een behandeling die is gericht op stabilisatie en het vergroten van draagkracht. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het Uwv de psychische belastbaarheid van appellante op de in geding zijnde datum onjuist heeft ingeschat.

4.3.

Uitgaande van de in de FML van 6 april 2016 neergelegde beperkingen ziet de Raad zich vervolgens gesteld voor de vraag of appellante terecht ongeschikt is bevonden voor de tot

1 januari 2013 door haar uitgeoefende functie van administratief medewerker en de nadien uitgeoefende functie van medewerker A&I. Voor het werk als administratief ondersteuner, dat appellante sinds 16 januari 2016 verrichtte, geldt dat dit terecht bij de voorliggende arbeidsongeschiktheidsbeoordeling buiten aanmerking is gelaten, omdat het werkzaamheden betrof die appellante in het kader van haar re-integratie slechts kortdurend op basis van een proefplaatsing voor ongeveer 20 uur per week heeft verricht. De werkzaamheden werden onder volledige verantwoordelijkheid van een collega verricht en zouden eerst na enkele maanden eventueel tot een loonwaarde leiden.

4.4.

De rechtbank heeft op goede gronden het standpunt van het Uwv gevolgd dat appellante op 11 juli 2016 niet geschikt is te achten voor de laatstelijk ten tijde van haar uitval op

3 juni 2013 uitgeoefende functie van medewerker A&I. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 27 mei 2015 en 9 mei 2016 inzichtelijk gemotiveerd dat appellante ongeschikt is voor deze functie omdat daarin (onder meer) sprake is van conflicthantering en veelvuldig klantencontact. De omstandigheid dat in de huidige functie van medewerker A&I – anders dan voorheen – afspraken kunnen worden ingepland maakt dat niet anders, omdat veelvuldige klantencontacten ook in de gewijzigde functie onveranderd aan de orde zijn.

4.5.

Ten tijde van haar uitval op 3 juni 2013 was appellante ten gevolge van een reorganisatie al geruime tijd niet meer werkzaam in de oorspronkelijk door haar uitgeoefende functie van administratief medewerker, zodat die functie niet langer als maatgevende arbeid valt aan te merken. Daarnaast was in de functie sprake van conflicthantering en veelvuldige klantencontacten, zodat appellante voor die functie evenmin geschikt is te achten.

4.6.

Gelet hierop kan de rechtbank gevolgd worden in haar oordeel dat de geschiktheid voor de functies van administratief medewerker en medewerker A&I door het Uwv terecht niet aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 11 juli 2016 ten grondslag zijn gelegd.

4.7.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2018.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) M.A.A. Traousis

OS