Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:997

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
15-4362 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand in verband met alsnog toegepaste heffingskorting op inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4362 WWB

Datum uitspraak: 7 maart 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 juni 2015, 14/3842 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek gedaan om veroordeling tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 24 januari 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde van belang nabestaandenpensioen en aanvullend bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand.

1.2.

Bij besluit van 1 oktober 2013 (herzieningsbesluit) heeft het college de bijstand over de periode van 22 februari 2011 tot 1 juni 2011 herzien vanwege een met terugwerkende kracht op het nabestaandenpensioen toegepaste loonheffingskorting, als gevolg waarvan appellante een teruggave van de Belastingdienst heeft ontvangen van € 1.750,-. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 1 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 november 2014 (bestreden besluit), heeft het college de als gevolg van het herzieningsbesluit teveel ontvangen bijstand tot een bedrag van € 546,42 (netto) van appellante teruggevorderd en besloten dat vanaf 1 september 2014 maandelijks € 95,14 wordt ingehouden op haar bijstand, zijnde 10% van de voor appellante geldende bijstandsnorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust, aangezien zij nimmer een te hoog bedrag aan bijstand heeft ontvangen. De aanvullende bijstand op haar nabestaandenpensioen is noodzakelijk om een inkomen op het niveau van het wettelijk minimum te garanderen.

4.1.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De beroepsgrond ziet op de vraag of de bijstand over de periode van 22 februari 2011 tot 1 juni 2011 terecht is herzien. Deze vraag is beantwoord in het herzieningsbesluit, dat in rechte onaantastbaar is geworden. Nu in het herzieningsbesluit is vastgesteld dat appellante in de periode van 22 februari 2011 tot 1 juni 2011 ten onrechte een te hoog bedrag aan bijstand heeft ontvangen, dient daarvan in deze procedure te worden uitgegaan.

4.2.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat indien sprake is van een ten onrechte uitbetaalde loonheffingskorting, deze door de Belastingdienst dient te worden teruggevorderd en niet door het college. Appellante wijst er in dit verband op dat de loonheffingskorting is gebaseerd op een vroegere dienstbetrekking. De implicatie daarvan is dat deze niet kan worden verrekend met de bijstand.

4.2.1.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan appellant stelt, gaat het in deze procedure niet om een ten onrechte uitbetaalde loonheffingskorting. In dit geval heeft appellante teveel bijstand ontvangen als gevolg van een achteraf op het nabestaandenpensioen toegepaste loonheffingskorting, wat van appellante wordt teruggevorderd. Het college is het bevoegde bestuursorgaan om de teveel ontvangen bijstand terug te vorderen. Voor zover appellante stelt dat de loonheffingskorting niet kan worden verrekend met de bijstand, wordt onder verwijzing naar 4.1.1 overwogen dat deze stelling zich richt tegen het herzieningsbesluit welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

4.3.

Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat het maandelijkse aflossingsbedrag onjuist is vastgesteld, omdat de 10% niet over de voor haar geldende bijstandsnorm maar over de feitelijk uitgekeerde (aanvullende) bijstand zou moeten worden berekend.

4.3.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college met het bestreden besluit heeft gehandeld in overeenstemming met de Beleidsregel herziening, terugvordering en verhaal WWB 2013 van de gemeente Roermond (Beleidsregel). Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Beleidsregel is - indien aflossing in één keer niet mogelijk is - het uitgangspunt voor het berekenen van de hoogte van de maandelijkse aflossing een betaling van 10% van de bijstandsnorm. Appellant heeft niet onderbouwd waarom het college in haar geval niet van genoemde bepaling in de Beleidsregel heeft kunnen uitgaan.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe van appellante zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling van de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) A. Mansourova

RH